Creativiteit of naïviteit?

Ze werden me de afgelopen weken voor de voeten geworpen. Kleine vertederende juweeltjes van kinderlijke creativiteit, waar onze peuters, kleuters en kinderen gulzig mee strooien en hun ouders, leraren en leraressen steevast – vaak aangenaam – weten te verrassen. Liefhebbers van dit genre kunnen overigens terecht bij Mark van de Werf (@MarkvdWerf). 

Dit soort creativiteit, als we het zo mogen noemen, is overigens niet voorbehouden aan de allerkleinste kinderen. Gelukkig geven ook oudere kinderen hier nog wel eens blijk van, getuige de “class test” die ik doorgestuurd kreeg. Een typisch geval van “out of the box” denken? Maar in deze klas is dit: 0 punten uit 3 opgaven. 

Het is wel zo aardig om juist op deze twee voorbeelden nader in te gaan. Het zijn namelijk precies dit soort eigenschappen waarnaar menig creativiteitstest op zoek is: het vermogen om iets verrassends te doen en daarmee een nieuwe, andere betekenis te geven aan wat er al was. Soms in woorden, soms in cijfers en soms ook figuurlijk.

Ik moet me overigens eerst verontschuldigen. Ik heb een week extra moeten nemen voor dit hoofdstuk. Ik probeerde me vooraf een voorstelling te maken van de hoeveelheid creativiteitsonderzoeken. Maar het heeft al mijn verwachtingen overtroffen. Er is hier in de tijd een woud ontstaan van testen en toetsen. Van LCS, CAQ, RIBS, ACL en CPS tot RAT, CAT, CFT en natuurlijk de TTCT*. En alle varianten op deze testen. Ik ben er in verdwaald. Je ziet hier werkelijk door de bomen het bos niet meer.

Maar deze dwaaltocht deed me wel ontdekken dat, hoewel elke test wel iets raakt van wat wij creativiteit zouden kunnen noemen, het bos je desondanks geen stap dichter bij creativiteit brengt. Maar goed, laat ik niet op mijn bevindingen vooruit lopen. Het noodgedwongen verblijf in dit bos leverde me ook veel op. Onder andere ontdekte ik hier de verhalen, die ik eerder beloofde, over creativiteit voor dat het zo genoemd werd.

Maar voor nu keren we terug naar de voorbeelden aan het begin van dit hoofdstuk. De uitingen van veronderstelde kinderlijke creativiteit. Het is een vorm van divergent denken die in testen als de Torrance Test of Creative Thinking* zeer hoge ogen zou scoren. Belangrijk is daarbij namelijk dat je iets volstrekt onverwachts doet en je krijgt extra punten als zich daarbij nieuw betekenisvolle ideeën of inzichten ontvouwen. Beiden lijken hier het geval. Toch?

Het is inderdaad onverwacht wat er gebeurd. Maar wat nu als het kind de vraag niet goed heeft gelezen of begrepen, en eenvoudig opschreef wie hij of zij op dat moment het meest miste? Blijft het dan creatief? En hoe beoordelen we het ‘originele’ antwoord in de “class test” als dit kind eenvoudig niet doorhad dat de opgaven genummerd waren? In dat geval is het antwoord immers technisch geheel juist en misschien wel helemaal niet creatief. Het roept de vraag op of het voor creativiteit uitmaakt of het bewust of onbewust gebeurd? Kun je in al je naïviteit, creatief zijn? 

Poeh. Hier moet ik even voor gaan zitten. Kijk nog eens goed naar de voorbeelden. Ik moet constateren dat “MaMa” naar alle waarschijnlijkheid niet ingevuld is als uiting van creativiteit, maar volkomen serieus bedoeld is. Als we alleen de laatste regel, als een soort invuloefening bezien, dan is dit antwoord verre van origineel. We zouden het niet herkennen als creatief. De creativiteit ontstaat hier dus niet door het antwoord, maar door de combinatie met de vraag. En, en dat is belangrijk, daarbij is het dus niet relevant of het antwoord gegeven is met het doel om een creatief antwoord te geven.

Dit is het moment om even een open plek op te zoeken. Zo’n magische plek in het bos waar, om op het oog onverklaarbare redenen, geen boom durft te komen. Alsof de bomen die de plek omcirkelen weliswaar nieuwsgierig zijn, maar hier liever hun voeten niet aan branden. Het lijkt me een gepaste plek om de basis onder de belangrijkste creativiteitstesten weg te slaan. Want, als je onbedoeld creatief kunt zijn, berust creativiteit dus niet of niet uitsluitend op cognitieve processen. En omdat het merendeel van de creativiteitstesten juist het uitgangspunt hanteren dat creativiteit een persoonlijke eigenschap is, iets is dat wij bedenken, dat creativiteit een cognitief proces is, kunnen deze testen dus nooit de essentie van creativiteit meten.

Hoe opmerkelijk deze conclusie ook mag klinken, het zijn vaak de ontwerpers van de testen zelf die dit beamen. Zo bevestigde E. P. Torrance dat zijn TTCT niet in staat is om de essentie van creativiteit te meten, maar dat de test slechts een beeld geeft van de kans dat betrokkenen zich creatief zullen uiten. Dat beeld wordt nog eens bevestigt door het onderzoek van Kyung Hee Kim (Eastern Michigan University). Op zijn best leveren creatieve testen dus aanwijzingen voor creativiteit op, maar ze zullen nooit creativiteit kunnen meten. Creativiteit is dus, zoals we al eerder suggereerden, vooralsnog meer een mening, dan een meting.

Toch heeft de populariteit van deze testen er voor gezorgd dat alom het idee heeft postgevat dat we er inderdaad creativiteit mee kunnen meten**. Hoe ver dat gaat zien we onder andere via het onderzoek van neurowetenschapper prof. Roger Beaty (Harvard University, 2018), die probeert vast te stellen welke delen van onze hersenen betrokken zijn bij creativiteit. Hij geeft zijn proefpersonen een opdracht uit de TTCT om te zien hoe creatief ze zijn. Wij weten nu dat, wat daar wordt gemeten, wel eens heel weinig met creativiteit te maken zou kunnen hebben. Maar wat meet Beaty dan precies in onze hersenen als hij er niet zeker van kan zijn dat het creativiteit is? Het zou zo maar eens een dwaalspoor kunnen zijn als we vast blijven houden aan het beeld over creativiteit wat wordt opgeroepen door deze testen. Overigens zijn wetenschappers de eerste om dat te bevestigen. Roger Beaty: “Creativity is complex, and we’re only scratching the surface here, so there’s much more work that’s needed,”

Mijn, in dit bos, ontwikkelde scepsis over creativiteitstesten als de TTCT vindt zijn weerklank bij John Bear van de Rider University. In een bijdrage in Psychology of Aesthetics, Creativity, and the Arts (2011) stelt hij dat testen als TTCT ons misleiden. Beter nemen we er afstand van en gaan we verder zonder.

Ik neem dat advies ter harte, maar wend me eerst nog even tot de grote oude boom hier midden op de open plek. Het lijkt of het bos respectvol afstand houdt en, als je het wilt zien, de bomen aan de rand stuk voor stuk een kleine buiging maken. Hier zoeken we, voor dat we verder gaan, eerst naar creativiteit ver voordat we het zo gingen noemen.

——————

*

LCS

Lifetime Creativity Scale (Richards et al. 1988) heeft de vorm van een interview over vaardigheden, verantwoordelijkheden, prestaties en hobby’s.

CAQ

Creative Achievement Questionnaire (Carson, Peterson & Higgins 2005) is een zelftest naar persoonlijke prestaties in tien creatieve domeinen (zoals beeldende kunst, muziek, dans, creatief schrijven, etc.).

RIBS

Runco Ideational Behavior Scale (Runco, Plucker & Lim 2000-2001) vraagt deelnemers al dan niet in te stemmen met 23 stellingen.

ACL & CPS

Adjective Check List (Gough & Heilbrun 1965) bestaat uit 300 woorden waaruit de deelnemer de woorden kiest die het beste hem of haar beschrijven. Gough reduceerde deze lijst in 1979 tot 30 woorden in wat hij noemde de Creative Personality Scale.

RAT

Remote Associations Test (Mednick 1962) vraagt steeds bij drie woorden, welke op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, een woord te vinden dat in combinatie met alle drie de woorden een nieuw woord vormt.

CAT

Consensual Assessment Technique (Getzels & Csikszentmihalyi 1976) vraagt een creatief product te maken (b.v. een gedicht), waarna dat wordt beoordeeld door twee of meer experts. Het gemiddelde van hun oordeel is de uitkomst.

CFT

Creative Functioning Test (Smith & Carlsson’s 1987, 1990) laat een contrastrijke afbeelding zien. Eerst heel kort (1/50e van een seconde) en daarna steeds langer. Daarna een andere afbeelding juist andersom, eerst heel lang en daarna steeds korter. Deelnemers moeten steeds zeggen wat ze (denken te) hebben gezien.

TTCT

Torrance Test of Creative Thinking (Torrance 1974, 2008) is wereldwijd de meest gebruikte creativiteitstest. Het bestaat uit zowel een verbaal als non-verbaal of figuratief deel en toets vooral het vermogen tot divergent denken.

——————-

**

Ook in ons mooie Brabant veronderstellen we nog veelvuldig dat creativiteit te meten is. In 2018 werd bijvoorbeeld in opdracht van Cultuur Eindhoven het onderzoek “Creativiteit en educatie in digitale cultuur” uitgevoerd. https://www.cultuureindhoven.nl/wp-content/uploads/2018/11/20181030-creativiteit-en-educatie-in-digitale-cultuur-onderzoeksrapport-def.pdf

———————————-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *