De dag die komt …

Ik voel me bevoorrecht deel uit te mogen maken van de SP. Deelgenoot te zijn van het idealisme, enthousiasme en doorzettingsvermogen waarmee strijd wordt geleverd voor een rechtvaardige, eerlijke samenleving. Samen te werken aan een waardige en gelijkwaardige behandeling van alle mensen in solidariteit en saamhorigheid. Ik geloof dat, als meer mensen zouden helpen met deze strijd, we ons land kunnen bevrijden van armoede, uitsluiting en uitbuiting. Dat wij een einde kunnen maken aan de situatie dat verschillen tussen mensen en hun omstandigheden bepalen in welke mate zij meedelen in onze welvaart. 

Want er zijn inmiddels twee Nederlanden. Eén Nederland dat drijft op verworven welvaart en voorspoed. Het Nederland van miljoenen mensen die genoeg te eten hebben, fraai wonen, voldoende bezitten om onbezorgd te leven, het onderwijs genieten wat past bij hun talenten, hun geest rijpen aan kunst en cultuur, voor zichzelf op kunnen komen en worden gerespecteerd en gehoord. Dat is het Nederland dat onze voorouders van droomden. Het land dat zij met bloed, zweet en tranen hebben opgebouwd. De voorspoed waarop zij hoopten en waarvoor zij hebben gewerkt en gestreden.

Maar er is ook een ander Nederland. Een Nederland waarvoor onze voorouders zich nu diep zouden schamen. Waar hoop en voorspoed worden overschaduwd door wanhoop en tegenslag. In dat Nederland leven inmiddels meer dan een miljoen mensen van een inkomen onder de armoedegrens. In die situatie vragen mensen zich niet af waar we vandaag eens zullen gaan eten, maar of zij vandaag wel fatsoenlijk zullen eten. Of ze nog kunnen studeren, of ze naar de dokter kunnen, of ze hun rekeningen kunnen betalen en of ze nog werk hebben.

En nu is er een economisch crisis. Nederland vreest de gevolgen voor onze welvaart. Maar het betekent vooral dat een groeiend aantal mensen naar de rand van de hoop gedreven worden. Steeds meer verschoppelingen die met schaarse middelen moeten overleven, midden in een land vol materiële overvloed en rijkdom. De feiten tonen ons een tragische en onheilspellende realiteit. De crisis wordt afgewenteld op de mannen en vrouwen die zoeken naar banen die niet bestaan, naar kansen die niet worden geboden, naar de hoop die hen van alle kanten is ontnomen. Rutte II introduceert een nieuwe vorm van solidariteit, een omgekeerde solidariteit: om het voor iedereen die het tot nu toe makkelijk afging ook in deze moeilijke omstandigheden zo gemakkelijk mogelijk te houden, moeten zij die het al moeilijk hadden het nog moeilijker krijgen.

Om dat te rechtvaardigden vertelt Rutte iedereen een liberaal sprookje. Hij wil ons doen geloven dat je jezelf uit een moeras kunt trekken. Zelfredzaamheid is het liberale adagium. Maar Rutte vertelt dat verhaal alleen aan het Nederland van wanhoop. Hij weet dat het niet klopt. In het Nederland van voorspoed helpt hij zelfs noodlijdende banken met heel veel hulp, omdat zij zelfstandig ten onder zouden gaan. Hoezo zelfredzaamheid?

Wij socialisten, wij denken dat je een land sterker maakt met investeringen die de samenleving, het onderlinge respect en de saamhorigheid versterken. Wij geloven dat we met samenwerking en solidariteit weer kunnen opbouwen wat ons door marktwerking, concurrentie en egoïsme is afgenomen. “Samen de schouders er onder” is een veel betere filosofie dan “ieder voor zich”.

Ik geloof dat de tijd komt dat het regime van mensen die eerst voor zichzelf zorgen voordat ze voor anderen kunnen opkomen ten einde loopt. In mijn droom zie ik een samenleving met mensen die eerst en onvoorwaardelijk voor anderen opkomen voordat zij aan zichzelf denken. Van ministers, industriëlen en magnaten tot schoonmakers, bijstandsmoeders en mensen met een beperking.

Dus moeten we met alle krachten die we als samenleving kunnen mobiliseren armoede, uitsluiting en uitzichtloosheid bestrijden. De grote kloof tussen de beide Nederlanden, tussen overvloedige rijkdom en schrijnende armoede, is een bron van wanhoop, spanning en verbittering. Het brengt inmiddels duizenden op de been. Manifestaties en demonstraties die roepen en schreeuwen om hoop, kansen en werk. Het is de taal van hen die niet gehoord worden. Het geluid dat Nederland maar niet wil horen: het gaat hier met steeds meer mensen steeds slechter! Maar een groot deel van de gelukkige Nederlanders sluiten hun oren. Zij maken zich drukker over de dagelijkse files, hun tweede vakantie of hun belastingaangifte, dan de gelijke, rechtvaardige en menswaardige behandeling van iedereen in Nederland.

Maar ook daaraan komt een einde. Steeds meer mensen zullen hun oren openen. Met de tijd zal het geluid van de mensen aan de rand van armoede, aan het eind van de hoop, niemand meer ontgaan. Ik geloof dat goed georganiseerde en krachtig uitgevoerde, massale acties en protesten een krachtig wapen zijn in het herstellen van het bestaansrecht en zelfrespect van hen die we in armoede en tot wanhoop hebben gedreven.

We kunnen dus niet langer blijven zitten of het uitsluitend overlaten aan de regering of ons parlement. Ik kan betogen als deze schrijven, de wet- en regelgeving proberen te veranderen via een langdurig en vermoeiend traject, er over praten met vrienden, netwerken inschakelen en enquêtes en petities ondertekenen. Maar er is een gegeven: privileges worden nooit vrijwillig afgegeven.

De geschiedenis leert ons dat privileges slechts worden afgestaan als dat, via een doorgaans lange, soms tragische en turbulente weg, wordt afgedwongen. Zolang we denken dat de eerlijke en gelijke verdeling van onze welvaart een vanzelfsprekendheid is en door welke regering dan ook wordt voortgezet en uitgedragen, zal er niets gebeuren.

We zullen dus massaal en dwingend deze nood van onze samenleving onder de aandacht moeten brengen. Een nood die, zo massaal uitgesproken, de regering eenvoudig niet kan negeren.

Ik geloof dat die dag aanstaande is. Ik zal er staan met de werknemers van sociale werkplaatsen, met de werkelozen, met de werkenden die onderbetaald worden, met de armlastige ouderen, met mensen in de bijstand, met medewerkers uit de zorg, schoonmakers, huishoudelijke hulpen, onderwijzers, kinderverzorgers, vrijwilligers van vele maatschappelijke organisaties en alle mensen die de hoop bijna verloren hebben. We zullen er gesteund worden door steeds meer mensen uit het andere hoopvolle Nederland. Mensen die hun oren geopend hebben en zich willen inzetten voor de samenleving als geheel voor dat zij aan zichzelf denken.

Ik kijk uit naar die dag!

 

Martin Luther King: “Ieder die strijd voor gerechtigheid, kan niet verliezen.”

EU Acceptance Speech Nobel Peace Prize

In case I will be asked to represent the European Union in Oslo, this will be my speech (original text in Dutch)

——————————————————————————————————————–

Your Majesties, Your Royal Highness, Excellencies, distinguished members of the Nobel Committee, my fellow citizens of Europe and of the world,

 

On behalf of the 500 million inhabitants of the countries belonging to the European Union, I accept the Nobel Peace Prize 2012. I do this with pride. Nevertheless I’m mindful that in the European Union at this very moment more than 25 million people are out of work and 120 million people living in poverty. We know that their number is growing every day.

In recent weeks, hundreds of thousands of them marched in southern Europe for dignity, respect, reconciliation, and European solidarity; but their legitimate call was brutally answered with tear gas and the charge of riot police. I am here for them because the EU offers them no peace and no reconciliation. Instead, it shows them a lack of democracy and human rights. For them the EU offers hunger, cold, illness, and exclusion.

Therefore I have to ask you why this prize is awarded to the EU: the EU in which a large part of its population is compelled to bitterly struggle for its existence and livelihood, the EU that brought all these people no peace and no reconciliation, which is the essence of the Nobel Prize of peace.

In reading your motivation, I understand that this respected prize is given for the way we, influenced by the Cold War, are driven to cooperate. We exploited this long period of a strained and forced peace to move former foes to economic cooperation. In that sense it is indeed a hopeful development that we have reached an alternative for resolving our disagreements and conflicts. Although, unlike you, I do not say that we have played a crucial role in this development. But it is a fact that over the last 60 years we have known no armed war between the EU member countries.

Yet I have difficulty to award the absence of armed warfare exclusively within the borders of the EU. Maybe I am too hard on ourselves in the eyes of your Nobel Committee, but in recent decades the EU did not prevent violent war outside its borders. Our political and economic elite has even encouraged others and cooperated with them. Terrible wars have been fought close to our borders. Even in the past decades, despite the EU, Europe was not an exclusive continent of peace. Under our control and with our approval residents and EU companies have supplied the most terrible weapons to immoral leaders and regimes. While our acclaimed peace was cherished by you, we sent our troops into conflicts beyond our borders, we exploited the military violence and contributed significantly to this warfare in other parts of the world. It is in my eyes a dark side of this medal, which we cannot, which we will not erase.

Also, our (glorified by you) longterm European peace is not quite what it seems. Even though war between our countries is no longer waged with conventional weapons, in its place comes new means of coercion. Our European Commission now uses accumulated economic interdependence to put national governments under pressure by threatening significant financial consequences. This commission has managed to bring ruling governments under technocratic leadership. Commissioned by the European Commission, governments increased the effective pressure on their own population. Democratically acquired welfare is being moved backwards, step by step. In this battle, residents are also put under pressure and forced to participate in the intimidation and exclusion of their less fortunate fellow citizens. They do this to prevent the loss of their personal privileges, “No food, no peace,” says the protestors in Spain. “We are fighting for our lives,” scream the Greeks. I tell you, if this is our peace it deserves no prize.

Yet, despite these reservations, I accept this prize of peace because I believe in the future of Europe and all its inhabitants. I refuse to accept that we can only move on a path already paved. I refuse to believe that we are at the mercy of the whims of an indefinable ‘financial market’, that numbers are more important than people and that oppression, war and violence are inevitable. I refuse to accept that countries put their own material interests above the interests of man, that differences between people should lead to an uneven distribution of prosperity. And I refuse to accept that we, in Europe and in the World, could never live together in peace and tolerance.

I also refuse to accept the cynical view that we first have to walk through a deeper valley: that people first have to lose their means of existence and self-respect to build a new humane society. I refuse to accept that ultimately a violent revolution is necessary to recover civil rights in Europe.

I believe it should be possible to feed anyone who is hungry and to care for everyone who is in need. I believe that we can give everyone shelter and education, self-esteem and perspective. I believe that the regime of people who take care of themselves first, before they take care of each other, has come to an end. Now is the time of those who will take care of others first. I believe that what is torn down by selfishness and competition can be built up by solidarity and cooperation.

Today I come to Oslo as a representative of people living in the EU, inspired with faith in humanity. I accept this award on behalf of everyone who believes in a fair distribution of prosperity and social integration of all people. I know that this award is a tribute to the EU as a hopeful alliance of European countries. It might seem that an impersonal bureaucratic organization has received an award. But remember the simple fact that I (a casual Euro-critical citizen) stand here to receive this award and to speak to you, means that there is still hope for all people in Europe and the world.

If, at this moment and at this stage, powerful institutions and organizations do not give themselves or their mighty representatives a voice. And dare to give that voice to someone who expresses the injustice and suffering of the population. This is the next step to the end of injustice and the beginning of reconciliation and peace. 

 

(Thanks to Fleur and Janet from Canada for translation)

 

 

Acceptatiespeech Nobelprijs van de vrede

Voor het geval ik zou worden gevraagd de EU te vertegenwoordigen bij de acceptatie van de Nobelprijs van de vrede, heb ik alvast mijn acceptatie speech geschreven. Een goede voorbereiding is immers het halve werk.

Ik sta overigens open voor aanvullingen, suggesties of correcties. Schrijf daarvoor onderaan een reactie.

——————————————————————————————————————–

Uwe Majesteiten, Uwe koninklijke hoogheid, excellenties, vooraanstaande leden van het Nobelcomité, mijn mede inwoners van Europa en van de wereld,

 

Uit naam van de ruim 500 miljoen inwoners van de landen die deel uitmaken van de Europese Unie, accepteer ik de Nobelprijs voor de vrede 2012. Ik doe dat met trots maar wel in het besef dat op dit moment in de Europese Unie meer dan 25 miljoen inwoners werkeloos zijn en 120 miljoen mensen in armoede leven. En in het besef dat hun aantal nog elke dag groeit.

De afgelopen weken demonstreerden honderdduizenden van hen, met name in Zuid Europa, voor waardigheid en respect, voor verzoening en Europese solidariteit. Maar hun gerechtvaardigde oproep werd bruut beantwoord met traangas en charges van de oproerpolitie. Ik sta hier ook voor hen, al biedt de EU hen geen vrede en geen verzoening, toont hen gebrek aan democratie en aan mensenrechten. Voor hen betekent de EU honger, kou, ziekte en uitsluiting.

Daarom moet ik u vragen waarom u deze prijs toebedeelt aan de EU. De EU die een groot deel van zijn inwoners heden ten dage dwingt tot een bittere strijd om hun bestaansrecht en bestaansmiddelen. De EU die al deze inwoners geen vrede en verzoening heeft gebracht, hetgeen toch de essentie van de Nobelprijs van de vrede is.

Maar uit uw motivatie begrijp ik dat deze respectabele prijs ons is gegeven voor de wijze waarop we, daartoe aangezet door de Koude Oorlog, tot samenwerking zijn gedreven. Hoe we die lange periode van een gespannen en geforceerde vrede hebben benut om vijanden van weleer tot economische samenwerking te bewegen. In die betekenis is het inderdaad een hoopvolle ontwikkeling gebleken dat we een alternatief hebben ontwikkeld voor het beslechten van onderlinge meningsverschillen en conflicten. Al durf ik niet, zoals u, te beweren dat we daarin een bepalende rol hebben gespeeld. Maar het is een feit dat we de afgelopen 60 jaar tussen de aangesloten EU-landen geen gewapende oorlog meer hebben gekend.

Toch kost het me moeite om het ontbreken van gewapende oorlogen uitsluitend binnen de grenzen van de EU te prijzen. Misschien reken ik het me in de ogen van uw Nobelcomité te zwaar aan, maar de EU heeft in de afgelopen decennia gewelddadige oorlogshandelingen buiten zijn grenzen niet bepaald voorkomen. Onze politieke en economische elite heeft er anderen zelfs toe aangezet en er aan meegewerkt. Tot aan onze grenzen woedde vreselijke oorlogen. Zelfs Europa was de afgelopen decennia ondanks de EU niet uitsluitend een ‘continent van vrede’. Inwoners en bedrijven uit de EU hebben onder ons toezicht en met onze goedkeuring de vreselijkste wapens geleverd aan immorele leiders en regimes. Terwijl wij onze door u gelauwerde vrede koesterden, stuurden we onze legers naar conflicten buiten onze grenzen, exploiteerden wij het militaire geweld en verdienden fors aan het wapengeweld in andere delen van de wereld. Het is in mijn ogen een duistere kant van deze medaille, die we niet mogen, niet kunnen wegpoetsen.

Maar ook de door u geroemde langdurige Europese vrede is niet helemaal wat het lijkt. Weliswaar wordt de oorlog tussen onze landen niet meer gevoerd met conventionele wapens, maar daarvoor in de plaats zijn nieuwe dwingende middelen gekomen. Onze Europese Commissie benut inmiddels de opgebouwde onderlinge economische afhankelijkheid om, dreigend met forse financiële consequenties, nationale regeringen onder druk te zetten. Waar nodig heeft deze commissie regeringen aan de macht weten te brengen geleid door technocraten. Zij hebben in opdracht van de Europese Commissie doeltreffend de druk bij de eigen bevolking opgevoerd en draaien inmiddels, stap voor stap, de eerder via democratische weg verworven sociale voorzieningen terug. In deze strijd worden ook inwoners onder druk gezet om, ter bescherming van hun persoonlijke privileges, mee te werken aan het op straat zetten en uitsluiten van hun minder fortuinlijke landgenoten. “Geen voedsel, geen vrede” luidt het protest in Spanje. “Wij strijden voor ons leven” schreeuwen de Grieken. Ik zeg u: Als dit onze vrede is verdient zij geen prijs.

Maar toch, ondanks deze bedenkingen, aanvaard ik vandaag deze prijs van vrede omdat ik geloof in de toekomst van Europa en al zijn inwoners. Ik weiger te accepteren dat we alleen verder kunnen op een reeds ingeslagen weg. Ik weiger te geloven dat we overgeleverd zijn aan de grillen van een ondefinieerbare ‘financiële markt’, dat cijfers belangrijker zijn dan mensen en dat onderdrukking, oorlog en geweld onvermijdelijk zijn. Ik weiger te accepteren dat landen hun eigen materiële belangen boven het belang van mensen stellen, dat verschillen tussen mensen moeten leiden tot een ongelijke verdeling van onze welvaart. En ik weiger te accepteren dat we als Europeanen nimmer samen zouden kunnen leven in vrede en verdraagzaamheid.

Maar ik weiger ook de cynische zienswijze te accepteren dat we eerst door een dieper dal moeten. Dat mensen eerst hun bestaansrecht en zelfrespect moeten verliezen om een nieuwe menswaardige samenleving op te bouwen. Maar evengoed weiger ik te accepteren dat uiteindelijk een gewelddadige revolutie noodzakelijk is om dat recht in Europa te herstellen.

Ik geloof dat het mogelijk moet zijn om iedereen die honger heeft te voeden en iedereen die ziek is te verzorgen. Ik geloof dat we iedereen onderdak en onderwijs kunnen geven, eigenwaarde en perspectief. Ik geloof dat het regime van mensen die eerst voor zichzelf zorgen voordat zij voor anderen kunnen opkomen ten einde is. Het is de tijd van mensen die eerst en onvoorwaardelijk voor anderen, voor de samenleving opkomen, voordat zij aan zichzelf denken. Ik geloof dat wat met egoïsme en concurrentiestrijd is verdreven weer met solidariteit en samenwerking kan worden opgebouwd.

Vandaag kom ik naar Oslo als een afgevaardigde van mensen, inwoners van de EU, geïnspireerd en met vertrouwen in de mensheid. Ik accepteer deze prijs uit naam van iedereen die een eerlijke verdeling van onze welvaart voorstaat en een sociale integratie van alle mensen. Ik weet dat deze prijs een eerbetoon is aan de EU als hoopvol verbond van Europese landen. Het lijkt misschien dat daarmee een onpersoonlijke bureaucratische organisatie een prijs heeft gekregen. Maar bedenk dat alleen al het feit dat ik, een toevallige euro-kritische burger, hier sta om deze prijs in ontvangst te nemen en u allen hier toe te spreken, betekent dat er hoop is voor alle mensen in Europa en de wereld.

Als machtige instanties en organisaties, juist op dit moment, juist op dit podium, niet zelf of hun machtige vertegenwoordigers een stem geven. Maar die stem durven te geven aan iemand die het onrecht en de nood van de bevolking verwoord. Dan is de volgende stap gezet naar het einde van onrecht en het begin van verzoening en vrede.