Ontdek mee …

Uitgelicht

Ja, dit is een onderzoek. Mijn persoonlijk liveaction-onderzoek naar de “Wet op behoud van creativiteit”. Iedere week verschijnt er een hoofdstuk. Direct hieronder vind je het meeste recente hoofdstuk. Wil je reageren? Klik dan op de titel van het hoofdstuk. Onderaan vind je dan een mogelijkheid om een reactie achter te laten. Lees je het onderzoek liever van vooraf aan? Ga dan naar “onderzoek in boekvorm”.

Onderzoek-regels: Reacties mogen kritisch zijn, maar zijn altijd respectvol. Ik accepteer geen annonieme reacties en alles wat we schrijven en delen is vrijelijk voor iedereen te gebruiken onder vermelding van de afzender.

Veel creativiteit!

Onmenselijke creativiteit

Voordat we ons in de creativiteitstesten verdiepten waren we juist tot de conclusie gekomen dat we creativiteit niet werkelijk kunnen waarnemen. We zien slechts in de creatie, het product of resultaat iets van creativiteit. Creativiteit die we vervolgens klakkeloos aan de maker toeschrijven. Maar is dat terecht? Dankzij het graafwerk in de historie, weten we dat creativiteit door onze voorouders vooral buiten onszelf werd gezocht. Zou er zonder menselijke inmenging sprake kunnen zijn van creativiteit?

In 1957 exposeerde Desmond John Morris in het ‘institute of Contemporary Art’ in Londen schilderijen en tekeningen vervaardigd door chimpansees. Een jaar later was hij de mede-organisator van “The Lost Image”; een expositie in de Royal Festival Hall in Londen waarin schilderijen van chimpansees werden vergeleken met die van kinderen en volwassenen. De schilderijen van chimpansees bleken niet onder te doen voor die van mensen, al gaat het te ver om hen (zoals enkele kunstcritici wel deden) grote kunstenaars te noemen. Wel waren er grote kunstenaars die onder de indruk waren van de door chimpansees vervaardigde schilderijen. Picasso bewaarde een werk van chimpansee Congo in zijn collectie. Dali vergeleek het werk van Congo met dat van Jackson Pollock: “The hand of the Chimpanzee is quasi-human. The hand of Jackson Pollock is totally animal.” Misschien verraadde hij daarmee vooral een afkeer voor het abstracte en in zijn ogen ongecontroleerde ‘druipende’ expressionistische werk van Pollock, maar impliciet sprak er tevens bewondering uit voor het werk van Congo.

Dit voorbeeld stelt ons voor een dilemma: als creativiteit een puur menselijke eigenschap is, dan zijn wij, inclusief Picasso en Dali, blijkbaar niet goed in staat creativiteit waar te nemen. Als wij ons daarentegen wel in staat achten in het resultaat de ware creativiteit te kunnen zien, moeten we de menselijke oorsprong verlaten. We snappen dus niets van creativiteit of er bestaat ook zoiets als onmenselijke creativiteit. Maar er is nog meer.

In oktober 1997 vond er een concert plaats bij de universiteit van Oregon. De concertpianist, Winifred Kerner, speelde drie composities. Een van de stukken was – zo wist het publiek – van Johan Sebastian Bach, een ander van Steve Larson (professor in muziektheorie aan de universiteit van Oregon) en de derde was gecomponeerd door het computerprogramma EMI (Experiments in Musical Intelligence). Het publiek werd gevraagd de juiste componist bij elke compositie te noemen. De uitslag was zeer verrassend. Niet alleen schreef het publiek de compositie van Steve Larson toe aan EMI, maar ook meenden ze dat het werk van EMI een originele Bach-compositie was.

Hier is het de machine die creatief is, een soort artificial creativity (AC). Juist bij dit fenomeen meldden zich de nodige passanten, kenners en specialisten. Want ondanks ons sentiment dat de menselijke invloed niet kan ontbreken, doen algoritmes en Artificial Intelligence (AI) serieus hun intrede in de kunsten. Vorig jaar bracht een met AI vervaardigd werk van het Franse collectief Obvious een record bedrag op bij Christie’s. Daarbij was echter nog sprake van enige menselijke interventie. Op 6 maart 2019, afgelopen week dus, werd bij Sotheby’s “Memmories of Passersby I”, een autonoom werkende AI-installatie van Mario Klingemann geveild. De installatie produceert zonder verdere menselijke inmenging portretten van niet bestaande mannen en vrouwen. Creativiteit waar bijna geen mens meer aan te pas komt. Bijna, omdat in dit geval de computer wel ‘gevoed’ is met honderden portretten van oude meesters. En de oude meesters zijn natuurlijk nog gewoon mensen.

Mario Klingemann koppelt creativiteit aan originaliteit en meent dat mensen alleen combinaties kunnen maken van dingen die men reeds kent. Hij ziet een creatieve toekomst in AI, omdat machines zonder die beperking werken en geheel blanco kunnen beginnen. AC reikt wat hem betreft veel verder dan de menselijke creatieve vermogens. Het lijkt misschien wat futuristisch, maar toch denk ik dat Klingemann dichter bij de bron van creativiteit zit dan alle creativiteitsonderzoekers bij elkaar. We lopen er immers steeds weer tegen aan dat we creativiteit slechts ervaren maar niet werkelijk kunnen waarnemen. Laat staan waar we het aan toe moeten schrijven. Misschien kennen machines wel een andere creativiteit dan wij?

Maar dan toch nog even terug naar het publiek dat meende dat de compositie van EMI de echte Bach compositie was. Dat klinkt ons natuurlijk zeer onwaarschijnlijk in de oren. Maar misschien is hier sprake van iets anders. Ik zag het eerder in een theatershow van Hans Teeuwen. In zijn show “Trui” (2000) droeg hij een gedicht voor waarvoor het publiek hem met een applaus beloonde. Vervolgens verklaarde Teeuwen echter dat hij puur voor de gein een aantal pseudo-poëtische zinnetjes achter elkaar had gezet. “De lelijkste zinnetjes die ik kon vinden, echt waar, voor de grap, en het slaat echt helemaal nergens op.”

Hans Teeuwen legt daarmee de gevolgen van onze beperkte blik op creativiteit haarfijn bloot. Het publiek herkent in het gedicht een product van creativiteit, waarna deze illusie bot wordt weggenomen door de werkelijke totstandkoming te openbaren. Onze waarneming van creativiteit blijkt buitengewoon onbetrouwbaar of in ieder geval zeer subjectief. Tenzij het willekeurig achter elkaar zetten van pseudo-poëtische zinnetjes (wat ook een AI fantastisch zou kunnen) ook creatief is.

Nu zouden we in beide voorbeelden nog kunnen stellen dat er sprake is van een leken oordeel. Het gemiddelde publiek, meegenomen in de sfeer van de show, laat zich eenvoudig voor de gek houden. Iedereen die luistert, de zinnen van Hans Teeuwen leest en weegt, zal net als Teeuwen zelf snel tot de conclusie komen dat het bagger is. Misschien vraagt creativiteit dus om een deskundigen oordeel?

Maar het zou evengoed kunnen dat we geen enkel zicht hebben op de ware aard van creativiteit. Leken en deskundigen doen maar een gooi. We duiden met creativiteit niet meer dan het onbegrijpelijke, verrassende en unieke in een uitvinding, creatie of idee. Een deskundige zal het dan eerder begrijpen, minder snel verrast zijn en het niet zo snel als uniek ervaren dan de leek. Waarmee het verschil in hun oordeel verklaard kan worden. Het maakt creativiteit tot een volstrekt subjectief begrip, want afhankelijk van de (ervaring en deskundigheid van de) waarnemer. Zo komen we tot deskundigen-creativiteit versus de creativiteit van leken of menselijke creativiteit tegenover onmenselijke creativiteit. En die laatste mogen we voorlopig niet onderschatten.

We zijn van het pad afgeraakt en het lijkt er op dat we een hoger punt moeten opzoeken om weer overzicht te krijgen. Inmiddels is creativiteit niet meer alleen van menselijke proporties en kan het vele gedaanten aannemen. Dat wat we er van ervaren is slechts één dimensie van de vele.

Het wordt of de totale chaos of we proberen grip te krijgen op de veelvormigheid van creativiteit. Voor volgende week neem ik me voor om tot een definitie te komen. Wat is een bruikbare definitie voor creativiteit? Let wel, een definitie die ook de onmenselijke creativiteit omvat. 

Allereerst vraag ik me af waar te beginnen. Nog even geen idee.

Creativiteit of naïviteit?

Ze werden me de afgelopen weken voor de voeten geworpen. Kleine vertederende juweeltjes van kinderlijke creativiteit, waar onze peuters, kleuters en kinderen gulzig mee strooien en hun ouders, leraren en leraressen steevast – vaak aangenaam – weten te verrassen. Liefhebbers van dit genre kunnen overigens terecht bij Mark van de Werf (@MarkvdWerf). 

Dit soort creativiteit, als we het zo mogen noemen, is overigens niet voorbehouden aan de allerkleinste kinderen. Gelukkig geven ook oudere kinderen hier nog wel eens blijk van, getuige de “class test” die ik doorgestuurd kreeg. Een typisch geval van “out of the box” denken? Maar in deze klas is dit: 0 punten uit 3 opgaven. 

Het is wel zo aardig om juist op deze twee voorbeelden nader in te gaan. Het zijn namelijk precies dit soort eigenschappen waarnaar menig creativiteitstest op zoek is: het vermogen om iets verrassends te doen en daarmee een nieuwe, andere betekenis te geven aan wat er al was. Soms in woorden, soms in cijfers en soms ook figuurlijk.

Ik moet me overigens eerst verontschuldigen. Ik heb een week extra moeten nemen voor dit hoofdstuk. Ik probeerde me vooraf een voorstelling te maken van de hoeveelheid creativiteitsonderzoeken. Maar het heeft al mijn verwachtingen overtroffen. Er is hier in de tijd een woud ontstaan van testen en toetsen. Van LCS, CAQ, RIBS, ACL en CPS tot RAT, CAT, CFT en natuurlijk de TTCT*. En alle varianten op deze testen. Ik ben er in verdwaald. Je ziet hier werkelijk door de bomen het bos niet meer.

Maar deze dwaaltocht deed me wel ontdekken dat, hoewel elke test wel iets raakt van wat wij creativiteit zouden kunnen noemen, het bos je desondanks geen stap dichter bij creativiteit brengt. Maar goed, laat ik niet op mijn bevindingen vooruit lopen. Het noodgedwongen verblijf in dit bos leverde me ook veel op. Onder andere ontdekte ik hier de verhalen, die ik eerder beloofde, over creativiteit voor dat het zo genoemd werd.

Maar voor nu keren we terug naar de voorbeelden aan het begin van dit hoofdstuk. De uitingen van veronderstelde kinderlijke creativiteit. Het is een vorm van divergent denken die in testen als de Torrance Test of Creative Thinking* zeer hoge ogen zou scoren. Belangrijk is daarbij namelijk dat je iets volstrekt onverwachts doet en je krijgt extra punten als zich daarbij nieuw betekenisvolle ideeën of inzichten ontvouwen. Beiden lijken hier het geval. Toch?

Het is inderdaad onverwacht wat er gebeurd. Maar wat nu als het kind de vraag niet goed heeft gelezen of begrepen, en eenvoudig opschreef wie hij of zij op dat moment het meest miste? Blijft het dan creatief? En hoe beoordelen we het ‘originele’ antwoord in de “class test” als dit kind eenvoudig niet doorhad dat de opgaven genummerd waren? In dat geval is het antwoord immers technisch geheel juist en misschien wel helemaal niet creatief. Het roept de vraag op of het voor creativiteit uitmaakt of het bewust of onbewust gebeurd? Kun je in al je naïviteit, creatief zijn? 

Poeh. Hier moet ik even voor gaan zitten. Kijk nog eens goed naar de voorbeelden. Ik moet constateren dat “MaMa” naar alle waarschijnlijkheid niet ingevuld is als uiting van creativiteit, maar volkomen serieus bedoeld is. Als we alleen de laatste regel, als een soort invuloefening bezien, dan is dit antwoord verre van origineel. We zouden het niet herkennen als creatief. De creativiteit ontstaat hier dus niet door het antwoord, maar door de combinatie met de vraag. En, en dat is belangrijk, daarbij is het dus niet relevant of het antwoord gegeven is met het doel om een creatief antwoord te geven.

Dit is het moment om even een open plek op te zoeken. Zo’n magische plek in het bos waar, om op het oog onverklaarbare redenen, geen boom durft te komen. Alsof de bomen die de plek omcirkelen weliswaar nieuwsgierig zijn, maar hier liever hun voeten niet aan branden. Het lijkt me een gepaste plek om de basis onder de belangrijkste creativiteitstesten weg te slaan. Want, als je onbedoeld creatief kunt zijn, berust creativiteit dus niet of niet uitsluitend op cognitieve processen. En omdat het merendeel van de creativiteitstesten juist het uitgangspunt hanteren dat creativiteit een persoonlijke eigenschap is, iets is dat wij bedenken, dat creativiteit een cognitief proces is, kunnen deze testen dus nooit de essentie van creativiteit meten.

Hoe opmerkelijk deze conclusie ook mag klinken, het zijn vaak de ontwerpers van de testen zelf die dit beamen. Zo bevestigde E. P. Torrance dat zijn TTCT niet in staat is om de essentie van creativiteit te meten, maar dat de test slechts een beeld geeft van de kans dat betrokkenen zich creatief zullen uiten. Dat beeld wordt nog eens bevestigt door het onderzoek van Kyung Hee Kim (Eastern Michigan University). Op zijn best leveren creatieve testen dus aanwijzingen voor creativiteit op, maar ze zullen nooit creativiteit kunnen meten. Creativiteit is dus, zoals we al eerder suggereerden, vooralsnog meer een mening, dan een meting.

Toch heeft de populariteit van deze testen er voor gezorgd dat alom het idee heeft postgevat dat we er inderdaad creativiteit mee kunnen meten**. Hoe ver dat gaat zien we onder andere via het onderzoek van neurowetenschapper prof. Roger Beaty (Harvard University, 2018), die probeert vast te stellen welke delen van onze hersenen betrokken zijn bij creativiteit. Hij geeft zijn proefpersonen een opdracht uit de TTCT om te zien hoe creatief ze zijn. Wij weten nu dat, wat daar wordt gemeten, wel eens heel weinig met creativiteit te maken zou kunnen hebben. Maar wat meet Beaty dan precies in onze hersenen als hij er niet zeker van kan zijn dat het creativiteit is? Het zou zo maar eens een dwaalspoor kunnen zijn als we vast blijven houden aan het beeld over creativiteit wat wordt opgeroepen door deze testen. Overigens zijn wetenschappers de eerste om dat te bevestigen. Roger Beaty: “Creativity is complex, and we’re only scratching the surface here, so there’s much more work that’s needed,”

Mijn, in dit bos, ontwikkelde scepsis over creativiteitstesten als de TTCT vindt zijn weerklank bij John Bear van de Rider University. In een bijdrage in Psychology of Aesthetics, Creativity, and the Arts (2011) stelt hij dat testen als TTCT ons misleiden. Beter nemen we er afstand van en gaan we verder zonder.

Ik neem dat advies ter harte, maar wend me eerst nog even tot de grote oude boom hier midden op de open plek. Het lijkt of het bos respectvol afstand houdt en, als je het wilt zien, de bomen aan de rand stuk voor stuk een kleine buiging maken. Hier zoeken we, voor dat we verder gaan, eerst naar creativiteit ver voordat we het zo gingen noemen.

——————

*

LCS

Lifetime Creativity Scale (Richards et al. 1988) heeft de vorm van een interview over vaardigheden, verantwoordelijkheden, prestaties en hobby’s.

CAQ

Creative Achievement Questionnaire (Carson, Peterson & Higgins 2005) is een zelftest naar persoonlijke prestaties in tien creatieve domeinen (zoals beeldende kunst, muziek, dans, creatief schrijven, etc.).

RIBS

Runco Ideational Behavior Scale (Runco, Plucker & Lim 2000-2001) vraagt deelnemers al dan niet in te stemmen met 23 stellingen.

ACL & CPS

Adjective Check List (Gough & Heilbrun 1965) bestaat uit 300 woorden waaruit de deelnemer de woorden kiest die het beste hem of haar beschrijven. Gough reduceerde deze lijst in 1979 tot 30 woorden in wat hij noemde de Creative Personality Scale.

RAT

Remote Associations Test (Mednick 1962) vraagt steeds bij drie woorden, welke op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, een woord te vinden dat in combinatie met alle drie de woorden een nieuw woord vormt.

CAT

Consensual Assessment Technique (Getzels & Csikszentmihalyi 1976) vraagt een creatief product te maken (b.v. een gedicht), waarna dat wordt beoordeeld door twee of meer experts. Het gemiddelde van hun oordeel is de uitkomst.

CFT

Creative Functioning Test (Smith & Carlsson’s 1987, 1990) laat een contrastrijke afbeelding zien. Eerst heel kort (1/50e van een seconde) en daarna steeds langer. Daarna een andere afbeelding juist andersom, eerst heel lang en daarna steeds korter. Deelnemers moeten steeds zeggen wat ze (denken te) hebben gezien.

TTCT

Torrance Test of Creative Thinking (Torrance 1974, 2008) is wereldwijd de meest gebruikte creativiteitstest. Het bestaat uit zowel een verbaal als non-verbaal of figuratief deel en toets vooral het vermogen tot divergent denken.

——————-

**

Ook in ons mooie Brabant veronderstellen we nog veelvuldig dat creativiteit te meten is. In 2018 werd bijvoorbeeld in opdracht van Cultuur Eindhoven het onderzoek “Creativiteit en educatie in digitale cultuur” uitgevoerd. https://www.cultuureindhoven.nl/wp-content/uploads/2018/11/20181030-creativiteit-en-educatie-in-digitale-cultuur-onderzoeksrapport-def.pdf

———————————-

Hoe wij creativiteit (niet) zien

Volledig omgeploegd en omgewoeld. Zo zou ik het eerste deel van het onderzoeksveld beschrijven. Het is het terrein van de kunsten, alwaar veel en diep gegraven is naar het geheim van creativiteit. Want wanneer we aan creativiteit denken, denken we als eerste aan kunst. Schilderijen, muziek, literatuur, opera, toneel, dans, etc.. Ook de passanten in dit onderzoek vinden vrijwel allemaal de beoefenaars van de kunsten, de kunstenaars, creatief. Het is dus verleidelijk om hier te blijven hangen. Immers, als het geheim van creativiteit ergens ligt, dan verwacht je het hier. Dat moet de reden zijn dat er ook vandaag de dag nog steeds bij de kunstenaars gezocht wordt naar het geheim van creativiteit. Je ziet het weliswaar niet meteen, maar hier, naast die enorme heuvels, onder in die diepe kuilen, graven ze nog elke dag. Dieper en dieper.

De passanten in dit liveaction-onderzoek laten echter zien dat de eensgezindheid over de creativiteit van kunstenaars, erg oppervlakkig is. We zien lang niet in elke kunst of kunstenaar evenveel creativiteit. We verschillen, soms grondig, van mening over hoe creatief iemand, of zijn of haar werk, is. En zelfs als we een kunstenaar creatief vinden, beoordelen we het ene werk creatiever dan het andere. Het lijkt daarom nu geen goed idee om hier direct de diepte in te gaan. We moeten verder. Dus pas op voor de kuilen, dan proberen we de kunsten voorlopig achter ons te laten. Al zullen we er vroeg of laat terug moeten keren om te verklaren waarom we bij creativiteit als eerste aan kunst en kunstenaars denken.

Even verderop, waar het terrein wat meer begaanbaar is maar bezaaid ligt met allerlei creativiteitstesten, blijkt overigens dat er ook andere beroepen zijn die we best wel creatief vinden. Zo zijn we het redelijk eens over de creativiteit van fotografen, cineasten en de makers van documentaires of commercials. Of die van ontwerpers en wetenschappers. Maar, net als bij de kunstenaars, verschillen we ook hier sterk van mening hoe creatief iemand werkelijk is. Over de creativiteit van de timmerman, metselaar, stukadoor, tegelzetter of loodgieter, maar ook die van de bakker, slager of groenteboer, zijn we overigens veel minder eensgezind. Om maar niet te spreken over de dienstverleners in onze samenleving. Die zijn vrijwel uit beeld als we het over creatieve beroepen hebben. Maar vragen we er actief naar, dan vinden we de leraar nog behoorlijk creatief, terwijl de ambtenaar naar het oordeel van onze passanten en meekijkers elke vorm van creativiteit lijkt te ontberen.

We hebben nog maar net het onderzoeksveld betreden en het wordt ons al duidelijk dat er geen peil op te trekken is hoe wij naar creativiteit kijken. We zien het in mensen of in hun creaties, maar voor het overige: zoveel mensen, zoveel meningen. We hebben geen meetlat, geen weegschaal en zelfs geen kompas waaraan we ons beeld van creativiteit kunnen toetsen. Hoe creatief iets of iemand is, is dus meer een mening dan een meting. Maar als dat zo is, waarom struikelen we hier dan over de testen die ontwikkeld zijn om onze creativiteit te meten. Hoe kan dat dan?

Daarvoor moeten we terug naar 1950. Toen zette Dr. J.P. Guilford, president van de American Psychological Association, de eerste schreden in dit onderzoeksveld. Al snel gevolgd door vele collega psychologen. Zij zagen, net als wij in eerste instantie geneigd zijn te doen, creativiteit als een persoonlijke menselijke eigenschap. En na het succes van de eerder door hen ontwikkelde IQ-testen, stortten zij zich vervolgens massaal op nieuwe testen om te meten hoe creatief iemand is.

In werkelijkheid was Dr. J.P. Guilford overigens niet de eerste. Sir Francis Gallon zette al in 1869 met zijn Hereditas Genius als eerste een voet in dit veld. Zijn “genius” lijkt op wat we later creativiteit zouden gaan noemen. Later? Ja, we kunnen het ons nu bijna niet voorstellen, maar creativiteit was lang een volstrekt onbekende term. Het duikt voor het eerst op aan het eind van de 19e eeuw en wordt pas halverwege de 20e eeuw meer algemeen gebruikt. Natuurlijk was er wel creativiteit, maar deze werd op een heel andere manier beleefd. Maar daarover later meer. Ik denk in hoofdstuk 4. 

Maar we moeten verder. Nu we weten waar al die creativiteitstesten vandaan komen, kunnen we er niet eenvoudig aan voorbij lopen. We zullen moeten onderzoeken of, zoals we net nog aannamen, creativiteit vooral een mening is van de waarnemer, of daadwerkelijk gemeten kan worden als een persoonlijke menselijke eigenschap van de veronderstelde creatieve persoon.

Daarom gebruiken we de komende week om verschillende toetsen en testen van onze creativiteit onder de loep te nemen. De vraag die we ons steeds zullen stellen: testen we daadwerkelijk creativiteit?

Spannend!


Wet op behoud van creativiteit (deel1)

Een waarschuwing vooraf. Dit lijkt op het eerste gezicht misschien op een weblog, maar in werkelijkheid is het dat niet. Het is een onderzoek. Maar dan geen publicatie van de resultaten met een hypothese, gehanteerde methoden, bevindingen, conclusies en discussie. Nee, dit is het prille begin van het onderzoek. Het moment waarop er wel veel vragen zijn, maar nog geen antwoorden. Op dit moment voelt het alsof ik aan de start staat van een soort speurtocht, nog onbewust van de vele verrassingen die me te wachten staan en de ontdekkingen die ik ga doen. Met lichte spanning en verwondering zet ik hier de eerste voorzichtige schreden in het onderzoeksveld, dat er overigens niet bepaald maagdelijk bij ligt. We zullen zien dat het al op vele manieren door onze voorgangers doorploegd, omgewoeld en hier en daar zelfs uitgegraven is. Er zijn paden, waarvan sommige behoorlijk platgetreden, maar ook nog steeds gebieden waar mensen nog niet tot zijn doorgedrongen. Daar worden we echte ontdekkingsreizigers.

En wat zo leuk is aan dit onderzoek. Het start gewoon hier, tussen alle dagelijkse perikelen en in alle openheid. Het is een soort “liveaction-onderzoek”. Alsof je een experiment start buiten op de markt, in weer en wind, nauwelijks opgemerkt door vele passanten die met hun gedachten ergens anders zijn. Er zijn er die nieuwsgierig blijven staan om schuin over je schouder mee te kijken, hun ongezouten of gepeperde mening geven en daarna, schijnbaar achteloos, hun weg vervolgen. Maar, naar ik hoop, ook een groeiende groep vaste, steevast terugkerende bezoekers die ik langzaam als mijn mede-onderzoekers zal gaan beschouwen. En dan natuurlijk de mensen met om het even welke deskundigheid, vakmanschap of fantasie die, soms van ver, zich gevraagd of ongevraagd mengen in dit onderzoek. Want juist hun kennis en ervaring kan een verpletterende indruk achterlaten.

En, om daar maar meteen op voorbereid te zijn, dat kan betekenen dat we soms weer terug moeten in ons onderzoek. Misschien wel tot aan het begin. We kunnen immers niet uitsluiten dat we soms afdwalen of ontdekken dat het spoor uiteindelijk doodloopt. Teleurstellend? Een beetje, maar het maakt onderdeel uit van elk onderzoek. We zullen elkaar af en toe moed moeten inpraten en aan blijven moedigen om vol te houden. Het onderzoek vraagt een lange adem.

Wouw, als ik me dit nu allemaal bedenk, dan staan we aan het begin van een heel bijzonder experiment. Als iedereen meekijkt, meedenkt en meepraat komt er heel veel kennis en ervaring bij elkaar. Het is nog niet te bevatten wat dat aan informatie oplevert. Maar het is natuurlijk ook wel wat ongemakkelijk. Het ontneemt mij de mogelijkheid al mijn (achteraf gezien) foute aannames, dwalingen en missers buiten beeld te houden. Maar op de een of andere manier staat die kwetsbaarheid me in dit onderzoek wel aan. Het is misschien wel de enige manier om het antwoord te vinden op de vraag die de feitelijke aanleiding vormde voor deze weblog, eh … onderzoek (haha).

Maar voor ik daar verder op in ga, moeten we eerst wat afspraken met elkaar maken over het verloop van dit onderzoek. Allereerst, ik schrijf elke week een nieuwe bijdrage. Dat is een persoonlijke weergave van de bevindingen tot dat moment, de stand van zaken van het onderzoek. Daarin reageer ik, hoewel volstrekt willekeurig, ook op de opmerkingen, bijdragen en reacties van omstanders. Van zowel de al dan niet geïnteresseerde passanten als de deskundigen, vakmensen en fantasten. Het gaat om persoonlijk betrokkenheid dus accepteer ik geen anonieme reacties. En, hoewel het vanzelfsprekend zou moeten zijn, we spreken uitsluiten met respect naar en over elkaar en mijden grof taalgebruik. Bijdragen die hier niet aan voldoen zal ik daarom zonder pardon verwijderen.

En er is nog een belangrijke regel: alles wat hier geschreven wordt, kan en mag door iedereen kosteloos gebruikt worden mits vermeld wordt wie het gezegd of geschreven heeft. We delen onze ideeën, gedachten, theorieën en bevindingen vrijelijk met iedereen. Ideeën die je niet wilt delen, mag je dus voor je houden.

Zo, dat is gezegd. Nu naar de aanleiding. Het wordt hoog tijd om het doel van dit onderzoek kenbaar te maken. Daarvoor moeten we terug naar december 2015, toen ik een lezing hield voor het, in dat jaar jubilerende, Prins Bernhard Cultuurfonds. Ik lanceerde daar het plan om creativiteit in een wet te vangen. Ik geef toe dat het toen niet echt een serieuze gedachte was. Meer een ludieke vorm om mijn pleidooi voor het behouden van onze kinderlijke nieuwsgierigheid wat extra kracht bij te zetten. Ik stelde daarom voor een wet uit te vaardigen: de wet op behoud van creativiteit. Een verplichting aan ieder in de samenleving om de creativiteit die ons bij geboorte is meegegeven te behouden. En gezien het enorme belang van creativiteit in onze ontwikkeling is dat niet louter een individuele plicht, maar een plicht voor de hele samenleving.

Daarna is het uit de hand gelopen. Ik heb me wat op mijn nek gehaald met het ogenschijnlijk zo eenvoudige plan om creativiteit in een wet te vangen. Want natuurlijk wist ik dat een wet in deze vorm doet denken aan een klassieke behoudswet, die kennen uit de natuur- en scheikunde. Zoals de “Wet op behoud van energie” (ook wel de ‘Eerste wet van de thermodynamica’). Die vorm was niet voor niets gekozen, dat was immers precies de bedoeling. Het riep als vanzelf de vraag op of creativiteit ook gezien zou kunnen worden als een natuur- of oerkracht. En als dat zo is, welke vormen kan creativiteit dan aannemen? Een intrigerende vraag, maar zodra je het antwoord hierop zoekt, lijken de manieren waarop creativiteit zich aan ons manifesteert exponentieel toe te nemen. En dat, zonder zijn ware gedaante prijs te geven.

En er is nog iets vreemds aan de hand met creativiteit. Het heeft, zoals we verderop in dit onderzoek zullen zien, als belangrijke eigenschap: onvoorspelbaarheid. En daar wringt iets fundamenteels. Onvoorspelbaarheid is in essentie immers niet te verenigen met wetmatigheid. Een behoudswet beoogt een wetmatigheid vast te leggen en daarmee juist de voorspelbaarheid. Kortom, zijn onvoorspelbare karakter lijkt strijdig met mijn plan creativiteit in een wet te vangen. Als dat waar is, dan heb ik mezelf een onmogelijke opdracht gegeven.

Zo, dat is een lekker opbeurende constatering aan het begin van ons onderzoek. We mogen ons er nu niet door uit het veld laten slaan. Voor volgende week concentreer ik me op de vraag hoe wij creativiteit zien, hoe het zich aan ons manifesteert. Kunnen we creativiteit wel waarnemen?

Ik hoor graag hoe jij dit ziet. Tot volgende week.

Wet op behoud van creativiteit

  1. Dit is een onderzoek

Een waarschuwing vooraf. Dit lijkt op het eerste gezicht misschien op een weblog, maar in werkelijkheid is het dat niet. Het is een onderzoek. Maar dan geen publicatie van de resultaten met een hypothese, gehanteerde methoden, bevindingen, conclusies en discussie. Nee, dit is het prille begin van het onderzoek. Het moment waarop er wel veel vragen zijn, maar nog geen antwoorden. Op dit moment voelt het alsof ik aan de start staat van een soort speurtocht, nog onbewust van de vele verrassingen die me te wachten staan en de ontdekkingen die ik ga doen. Met lichte spanning en verwondering zet ik hier de eerste voorzichtige schreden in het onderzoeksveld, dat er overigens niet bepaald maagdelijk bij ligt. We zullen zien dat het al op vele manieren door onze voorgangers doorploegd, omgewoeld en hier en daar zelfs uitgegraven is. Er zijn paden, waarvan sommige behoorlijk platgetreden, maar ook nog steeds gebieden waar mensen nog niet tot zijn doorgedrongen. Daar worden we echte ontdekkingsreizigers.

En wat zo leuk is aan dit onderzoek. Het start gewoon hier, tussen alle dagelijkse perikelen en in alle openheid. Het is een soort “liveaction-onderzoek”. Alsof je een experiment start buiten op de markt, in weer en wind, nauwelijks opgemerkt door vele passanten die met hun gedachten ergens anders zijn. Er zijn er die nieuwsgierig blijven staan om schuin over je schouder mee te kijken, hun ongezouten of gepeperde mening geven en daarna, schijnbaar achteloos, hun weg vervolgen. Maar, naar ik hoop, ook een groeiende groep vaste, steevast terugkerende bezoekers die ik langzaam als mijn mede-onderzoekers zal gaan beschouwen. En dan natuurlijk de mensen met om het even welke deskundigheid, vakmanschap of fantasie die, soms van ver, zich gevraagd of ongevraagd mengen in dit onderzoek. Want juist hun kennis en ervaring kan een verpletterende indruk achterlaten.

En, om daar maar meteen op voorbereid te zijn, dat kan betekenen dat we soms weer terug moeten in ons onderzoek. Misschien wel tot aan het begin. We kunnen immers niet uitsluiten dat we soms afdwalen of ontdekken dat het spoor uiteindelijk doodloopt. Teleurstellend? Een beetje, maar het maakt onderdeel uit van elk onderzoek. We zullen elkaar af en toe moed moeten inpraten en aan blijven moedigen om vol te houden. Het onderzoek vraagt een lange adem.

Wouw, als ik me dit nu allemaal bedenk, dan staan we aan het begin van een heel bijzonder experiment. Als iedereen meekijkt, meedenkt en meepraat komt er heel veel kennis en ervaring bij elkaar. Het is nog niet te bevatten wat dat aan informatie oplevert. Maar het is natuurlijk ook wel wat ongemakkelijk. Het ontneemt mij de mogelijkheid al mijn (achteraf gezien) foute aannames, dwalingen en missers buiten beeld te houden. Maar op de een of andere manier staat die kwetsbaarheid me in dit onderzoek wel aan. Het is misschien wel de enige manier om het antwoord te vinden op de vraag die de feitelijke aanleiding vormde voor deze weblog, eh … onderzoek (haha).

Maar voor ik daar verder op in ga, moeten we eerst wat afspraken met elkaar maken over het verloop van dit onderzoek. Allereerst, ik schrijf elke week een nieuwe bijdrage. Dat is een persoonlijke weergave van de bevindingen tot dat moment, de stand van zaken van het onderzoek. Daarin reageer ik, hoewel volstrekt willekeurig, ook op de opmerkingen, bijdragen en reacties van omstanders. Van zowel de al dan niet geïnteresseerde passanten als de deskundigen, vakmensen en fantasten. Het gaat om persoonlijk betrokkenheid dus accepteer ik geen anonieme reacties. En, hoewel het vanzelfsprekend zou moeten zijn, we spreken uitsluiten met respect naar en over elkaar en mijden grof taalgebruik. Bijdragen die hier niet aan voldoen zal ik daarom zonder pardon verwijderen.

En er is nog een belangrijke regel: alles wat hier geschreven wordt, kan en mag door iedereen kosteloos gebruikt worden mits vermeld wordt wie het gezegd of geschreven heeft. We delen onze ideeën, gedachten, theorieën en bevindingen vrijelijk met iedereen. Ideeën die je niet wilt delen, mag je dus voor je houden.

Zo, dat is gezegd. Nu naar de aanleiding. Het wordt hoog tijd om het doel van dit onderzoek kenbaar te maken. Daarvoor moeten we terug naar december 2015, toen ik een lezing hield voor het, in dat jaar jubilerende, Prins Bernhard Cultuurfonds. Ik lanceerde daar het plan om creativiteit in een wet te vangen. Ik geef toe dat het toen niet echt een serieuze gedachte was. Meer een ludieke vorm om mijn pleidooi voor het behouden van onze kinderlijke nieuwsgierigheid wat extra kracht bij te zetten. Ik stelde daarom voor een wet uit te vaardigen: de wet op behoud van creativiteit. Een verplichting aan ieder in de samenleving om de creativiteit die ons bij geboorte is meegegeven te behouden. En gezien het enorme belang van creativiteit in onze ontwikkeling is dat niet louter een individuele plicht, maar een plicht voor de hele samenleving.

Daarna is het uit de hand gelopen. Ik heb me wat op mijn nek gehaald met het ogenschijnlijk zo eenvoudige plan om creativiteit in een wet te vangen. Want natuurlijk wist ik dat een wet in deze vorm doet denken aan een klassieke behoudswet, die kennen uit de natuur- en scheikunde. Zoals de “Wet op behoud van energie” (ook wel de ‘Eerste wet van de thermodynamica’). Die vorm was niet voor niets gekozen, dat was immers precies de bedoeling. Het riep als vanzelf de vraag op of creativiteit ook gezien zou kunnen worden als een natuur- of oerkracht. En als dat zo is, welke vormen kan creativiteit dan aannemen? Een intrigerende vraag, maar zodra je het antwoord hierop zoekt, lijken de manieren waarop creativiteit zich aan ons manifesteert exponentieel toe te nemen. En dat, zonder zijn ware gedaante prijs te geven.

En er is nog iets vreemds aan de hand met creativiteit. Het heeft, zoals we verderop in dit onderzoek zullen zien, als belangrijke eigenschap: onvoorspelbaarheid. En daar wringt iets fundamenteels. Onvoorspelbaarheid is in essentie immers niet te verenigen met wetmatigheid. Een behoudswet beoogt een wetmatigheid vast te leggen en daarmee juist de voorspelbaarheid. Kortom, zijn onvoorspelbare karakter lijkt strijdig met mijn plan creativiteit in een wet te vangen. Als dat waar is, dan heb ik mezelf een onmogelijke opdracht gegeven.

Zo, dat is een lekker opbeurende constatering aan het begin van ons onderzoek. We mogen ons er nu niet door uit het veld laten slaan. Voor volgende week concentreer ik me op de vraag hoe wij creativiteit zien, hoe het zich aan ons manifesteert. Kunnen we creativiteit wel waarnemen?

Ik hoor graag hoe jij dit ziet. Tot volgende week.

—————————————————

  1. Hoe wij creativiteit (niet) zien

Volledig omgeploegd en omgewoeld. Zo zou ik het eerste deel van het onderzoeksveld beschrijven. Het is het terrein van de kunsten, alwaar veel en diep gegraven is naar het geheim van creativiteit. Want wanneer we aan creativiteit denken, denken we als eerste aan kunst. Schilderijen, muziek, literatuur, opera, toneel, dans, etc.. Ook de passanten in dit onderzoek vinden vrijwel allemaal de beoefenaars van de kunsten, de kunstenaars, creatief. Het is dus verleidelijk om hier flink te graven. Immers, als het geheim van creativiteit ergens ligt, dan verwacht je het hier. Dat moet de reden zijn dat er ook vandaag de dag nog steeds bij de kunstenaars gezocht wordt naar het geheim van creativiteit. Je ziet het weliswaar niet meteen, maar daar, naast die enorme heuvels, onder in die diepe kuilen, graven ze nog elke dag. Dieper en dieper.

De passanten in dit liveaction-onderzoek laten echter zien dat de eensgezindheid over de creativiteit van kunstenaars, erg oppervlakkig is. We zien lang niet in elke kunst of kunstenaar evenveel creativiteit. We verschillen, soms grondig, van mening over hoe creatief iemand, of zijn of haar werk, is. En zelfs als we een kunstenaar creatief vinden, beoordelen we het ene werk creatiever dan het andere. Het lijkt daarom nu geen goed idee om hier direct de diepte in te gaan. We moeten verder. Dus pas op voor de kuilen, dan proberen we de kunsten voorlopig achter ons te laten. Al zullen we er vroeg of laat terug moeten keren om te verklaren waarom we bij creativiteit als eerste aan kunst en kunstenaars denken.

Even verderop, waar het terrein wat meer begaanbaar is maar bezaaid met allerlei creativiteitstesten, blijkt overigens dat er ook andere beroepen zijn die we best wel creatief vinden. Zo zijn we het redelijk eens over de creativiteit van fotografen, cineasten en de makers van documentaires of commercials. Of die van ontwerpers en wetenschappers. Maar, net als bij de kunstenaars, verschillen we ook hier sterk van mening hoe creatief iemand werkelijk is. Over de creativiteit van de timmerman, metselaar, stukadoor, tegelzetter of loodgieter, maar ook die van de bakker, slager of groenteboer, zijn we overigens veel minder eensgezind. Om maar niet te spreken over de dienstverleners in onze samenleving. Die zijn vrijwel uit beeld als we het over creatieve beroepen hebben. Maar vragen we er actief naar, dan vinden we de leraar nog behoorlijk creatief, terwijl de ambtenaar naar het oordeel van onze passanten en meekijkers elke vorm van creativiteit lijkt te ontberen.

Maar al met al overheersen de verschillen in wat we als creatief zien. Je zou kunnen zeggen: zoveel mensen, zoveel meningen over creativiteit. We ontberen een algemeen geaccepteerde, objectieve maat voor creativiteit, waarmee het oordeel over creativiteit persoonlijk en subjectief wordt. Het is, zo zouden we kunnen concluderen, daarmee meer een persoonlijke opvatting, dan een vaststaand gegeven. Anders gezegd: hoe creatief iets of iemand is, is meer een mening dan een meting.

Oef, dit is het moment om even pas op de plaats te houden. We moeten deze stellingname op dit moment nog maar even uitsluitend fluisteren. Het legt namelijk een bommetje onder bijna 70 jaar onderzoek, waarvan de vele creativiteitstesten die hier rondslingeren de stille getuigen zijn. Dr. J.P. Guilford, president van de American Psychological Association, was in 1950 de eerste met een gestructureerd onderzoek naar creativiteit. Hij zag creativiteit als een persoonlijke eigenschap en ontwikkelde de eerste (psychologisch) creativiteitstest. 

In werkelijkheid was Dr. J.P. Guilford overigens niet de eerste. Sir Francis Gallon zette al in 1869 met zijn Hereditas Genius als eerste een voet in dit veld. Zijn “genius” lijkt op wat we later creativiteit zouden gaan noemen. Later? Ja, we kunnen het ons nu bijna niet voorstellen, maar creativiteit was lang een volstrekt onbekende term. Het duikt voor het eerst op aan het eind van de 19e eeuw en wordt pas halverwege de 20e eeuw meer algemeen gebruikt. Natuurlijk was er wel creativiteit, maar deze werd op een heel andere manier beleefd. Maar daarover meer in hoofdstuk 4. 

Nu moeten we verder met onze stelling. Is het inderdaad een mening of kun je het, zoals de psychologen (en tegenwoordig ook neurowetenschapper) beweren, meten?

Dat zullen we nader moeten onderzoeken.

En daarvoor geef ik nog een overweging mee. Zoals wij creativiteit beoordelen, beoordelen we dat op basis van een creatie, eindproduct, uitvinding of idee. We zien creativiteit dus niet werkelijk aan het werk. De creativiteit, die wij wellicht toeschrijven aan een persoon, manifesteert zich aan ons in een creatie. We kunnen dus niet anders dan, op volstrekt willekeurige gronden, achteraf vaststellen of we iets creatief vinden en daarmee, desgewenst, hij of zij die het gecreëerd heeft.

Er lijkt zomaar een mogelijkheid om beide theorieën met elkaar te verbinden. Voor volgende week vraag ik je mee te ontdekken: Is creativiteit inderdaad een persoonlijke menselijke eigenschap of niet?

Reageer hieronder.

Welkom

Hoewel ik er min of meer bij toeval tegenaan liep, ben ik inmiddels bezeten van creativiteit. Overal zie ik het, of beter, denk ik het te zien. Of nog beter, dacht ik het te zien. Want nu ik me er meer en meer in verdiep, wordt het steeds minder duidelijk wat creativiteit is, hoe het werkt, wat we er mee kunnen en wat het betekent voor ons leven en onze toekomst.

En juist in deze tijd, waarin we geconfronteerd worden met onvoorziene neveneffecten en bijwerkingen van de manier waarop we de aarde naar onze hand hebben gezet, wordt er een beroep gedaan op onze creativiteit. Maar dan van een orde die de reguliere huis-tuin-en-keuken creativiteit ver te boven gaat. We zoeken nieuwe creativiteit. Maar dat is natuurlijk dubbelop. Creativiteit is toch altijd nieuw?

Nou, dat is nog maar de vraag. Want al het onderzoek en de vele managementboeken ten spijt, eigenlijk weten we niet zoveel van creativiteit. Reden dat ik er hier de vinger achter probeer te krijgen.

Volg mijn bevindingen via het “liveaction-onderzoek” en denk, praat en doe mee.

Ik laat me graag inspireren.

Henri Swinkels