Creativiteit en zelfredzaamheid

I believe that this nation should commit itself to achieving the goal, before this decade is out, of landing a man on the moon and returning him safely to the earth.

Het zijn deze woorden waarmee president J.F. Kennedy op 25 mei 1961 het Amerikaanse congres toesprak en het startschot gaf voor een missie naar de maan. Nu nog spreken we bij complexe projecten waarin we iets willen realiseren wat in eerste instantie voor onmogelijk wordt gehouden van “a man on the moon” project. Maar daarmee missen we een essentieel deel. Niet voor niets sprak J.F. Kennedy over: “and returning him safely to the earth”. Waar iedereen het accent lijkt te leggen op de maanlanding zelf, realiseerde hij zich dat een avontuurlijke en risicovolle reis naar de maan, pas zijn waarde krijgt als we de ervaringen die we daar opdoen vervolgens terugbrengen naar de ons bekende wereld, deze ervaringen met elkaar delen en er van leren.

Om dezelfde reden schrijven we weliswaar de ontdekking van Amerika nu toe aan Christopher Columbus in 1492, maar zijn er aanwijzingen dat anderen al eerder datzelfde Amerika hadden aangedaan. Alleen waren zij zich er niet van bewust of keerden zij niet behouden terug en bleven hun ervaringen daarmee voor anderen onbekend. Het zal ongetwijfeld voor deze avonturiers een enorm avontuur zijn geweest met tal van nieuwe onvoorziene ervaringen. Maar als we nimmer meer iets van de avonturiers vernemen blijven het particuliere ervaringen en worden die nooit onderdeel van onze cultuur.

Met creativiteit is dat niet anders. Een louter persoonlijke creatieve ervaring is als Robinson Crusoe die – hoe goed hij zich ook weet te redden op een onbewoond eiland – nooit ontdekt of opgemerkt wordt. Creativiteit leidt dan tot zelfredzaamheid, maar zal nimmer anderen bereiken en weten te inspireren.

Misschien dat het daarom zo euforisch aanvoelt als je terugkeert in een vertrouwde  omgeving na een verblijf in een nog onontdekte wereld vol onbekende risico’s. Naast de nieuwsgierigheid die dat avontuurlijke bij ons oproept, heeft zich blijkbaar ook een verlangen ontwikkeld om terug te keren en de volstrekt nieuwe ervaringen te delen met onze verwanten en vertrouwelingen. De behouden terugreis impliceert immers dat de nieuwe ervaring beschikbaar komt voor iedereen. Zouden we deze drang missen of onze uiteindelijke terugkeer niet als een beloning ervaren, dan waren we vast niet zo succesvol geweest in het verkennen van het onbekende, de aarde (en de maan).

Voor onze definitie van creativiteit – want daar zijn we nog steeds naar op zoek – is het belangrijk vast te stellen dat vanuit het bekende, het onbekende ons nieuwsgierig maakt. Terwijl eenmaal in het onbekende, het bekende en vertrouwde een enorme aantrekkingskracht op ons uitoefent. We hebben dus niet alleen de individuele drang om het nieuwe te ontdekken, maar ook om die ontdekking in de bekende wereld te brengen en als collectief eigen te maken. Daarvoor is het belangrijk dat de nieuwe ervaring gedeeld wordt, geaccepteerd wordt en zo uiteindelijk gemeengoed wordt.

Dat geldt voor een fysiek af te leggen reis, maar ook voor een reis die we fictief in onze fantasie maken. Mihaly Csikzentmihalyi (Creativity. Flow and the psychology of discovery and invention. 1996) stelt dan ook dat het nut van een nieuw idee ontstaat in de wisselwerking tussen ideeën, gedachten of ervaringen en de heersende sociaal-culturele context. Om (individuele) creativiteit verder te laten reiken dan zelfredzaamheid, dient het “getaxeerd” en geaccepteerd te worden door de samenleving.

Maar als Csikzentmihalyi spreekt over het nut van creativiteit, gaat het dus niet over creativiteit zelf. In essentie halen we dat ergens in het onbekende, onverwachte en onvoorspelbare. Dat nieuwe kunnen we fysiek opzoeken, zoals de ontdekkingsreizigers en astronauten deden, maar het kan ook – en zelfs fantasierijker – door onze verbeelding aan het werk te zetten of de vrije loop te laten. Maar ook in dat geval zullen we uiteindelijk terug moeten keren om onze ideeën, ervaringen en ontdekkingen te confronteren met de praktijk en realiteit. Pas als persoonlijke creatieve ervaringen gedeeld worden met anderen zullen we het herkennen en aanmerken als creatief.

Leeftijd en creativiteit

Eenmaal op het pad, volgden er meer. En bij elke splitsing of kruising koos ik, als het even kon, de richting waarin even verderop weer een splitsing was te zien. Ik nam als het ware het zekere voor het onzekere en voldeed daarmee aan onze voortdurende neiging het nieuwe, onbekende en fantasierijke te vermijden. Als we eenmaal een doel voor ogen hebben, zijn we doorgaans niet meer zo tot creativiteit geneigd.

Maar naarmate het aantal paden toenam, gebeurde iets vreemds. Al die paden verzekerden me weliswaar dat ik op de goede weg was. Maar waarnaar toe? Ik was toch op zoek naar creativiteit? Was het niet juist de kunst om van de gebaande paden af te wijken? Ik deed nog een keer een halfslachtige poging om op een onbewaakt moment het hoge gras weer in te lopen, maar binnen de kortste keren stond ik weer op een pad. Het lukte me hier, tussen al die paden, eenvoudig niet meer om lang van het padje af te blijven. De gebaande wegen maakten hier de dienst uit. Het leek gedaan met het onbekende, fantasierijke.

Maar daar, ergens in een wirwar van paden, drong tot me door hoe deze situatie vergelijkbaar is met de ontwikkeling van onze creativiteit. Als kinderen dartelen we nog door een groots onbetreden veld en kunnen we verdwalen in een fantasievolle wereld, zonder al te veel herkenningspunten. Het kan uren duren voordat we daar weer op een pad stuiten. Maar bij het ouder worden trekken we steeds maar paden en wordt het steeds moeilijker om daadwerkelijk van die gebaande wegen weg te blijven. Met onze levenservaringen wordt de ruimte voor fantasie en onvoorspelbaarheid steeds fragmentarischer. Als we er al in slagen het bekende pad te verlaten en de fantasiewereld te betreden, staan we in een mum van tijd weer op de bekende weg. En dat is doorgaans een weg die ons meer afleidt van, dan verleidt tot creativiteit.

Maar toch zegt het niets over de mate van creativiteit. Het ontbreekt ouderen niet aan creativiteit, het is slechts het karakter van creativiteit dat verandert. Waar kinderen vaker ongelimiteerd opgaan in hun fantasie en zo zelfs in staat zijn de fysiek ervaren werkelijkheid te beschouwen vanuit die fantasiewereld; daar hebben ouderen meestal meer met ratio en engagement. Het fantasierijke of experimentele wordt meer ervaren vanuit verworven kennis, vaardigheid en levenswijsheid. In mijn metafoor: kinderen kijken meer vanuit het veld naar de paden, terwijl ouderen vanaf het pad het veld bezien.

Er zijn overigens ook aanwijzingen dat ouderen na hun pensionering weer fantasierijker worden. In het algemeen wordt dat toegeschreven aan, om in deze metafoor te blijven, de tijd die dan vrij komt om weer vaker en langer naar de nog onbetreden delen van het veld te kijken. Maar we moeten bij de beeldvorming rond creativiteit bij ouderen ook opboksen tegen stereotypen die in onze cultuur de ronde doen. Daarmee is ook het beeld dat we hebben opgebouwd over creativiteit bij ouderen, op zichzelf weer een veel belopen en aldus ingesleten pad.

Tot volgende keer.

Van het padje af

Het duurde een eeuwigheid voordat ik stuitte op een pad. Maar voor die tijd raakte ik op een vreemde manier in de ban van deze groene wereld (met ergens die vreemde ronde kiezel). Zodra je niet meer bezig bent met zo snel mogelijk uit dit grasveld te komen, krijg je oog voor waar je bent. Wat eerst alleen maar gras was, werd gevarieerder in zijn schakering, dichtheid en kleuren. Het zat hem in de details en je zag het pas als je het doorhad. Het prikkelde mijn fantasie. Soms meende ik te zien dat ik gevolgd werd of stoof er plotseling iets voor me uit. Ook liep er iets met me mee, zo leek het althans, slechts enkele meters rechts van me. En dan weer links.

Was het deze omgeving die mijn fantasie aanwakkerde? Zo creatief oogde deze grasvlakte op zichzelf niet, eerder het tegendeel. In het grasveld leek het er niet op dat creativiteit, meer creativiteit oproept. Het is eerder het ontbreken van het bekende, het vertrouwde, wat op een of andere manier dwingt om de omgeving fantasievoller te benaderen.

Maar toen was er plotseling een pad

Ik had het niet aan zien komen. Het was er en het was niet te missen. Plotseling kon ik, links en rechts, ongemakkelijk ver weg kijken. Ik moest er zelfs even aan wennen. En het was meteen duidelijk. Vanaf hier moest ik mijn strategie wijzigen. Het pad was, naast dat gebaande paden nu eenmaal makkelijker lopen, veruit de grootste garantie om weer in de bewoonde wereld terecht te komen. Het pad deed in een klap mijn gaandeweg opgebouwde fantasie instorten. Het was er niet meer, niet meer nodig. Ik volgde het pad.

En het was daar, halverwege een flauwe bocht in het pad, dat het kwartje viel. Want wat was me nu eigenlijk overkomen? Mijn reis door het hoge gras was dan misschien een vergissing, maar het had me wel een enorm inzicht gebracht. Ergens deed deze hele ervaring me denken aan hoe we voor het vernieuwende van creativiteit ook de grens van het voorspelbare naar het onvoorspelbare moeten opzoeken, oversteken en de weg weer terug proberen te vinden (zie hoofdstuk 9). In zekere zin was het grasveld dus te vergelijken met het fantasierijke universum van onvoorspelbaarheid en toeval.

Mijn ervaring in het begin, waarin ik een pad bleef zien terwijl er allang geen pad meer was en grip op de situatie probeerde te houden, illustreren hoe moeilijk het is om je over te geven aan het onberekenbare van creativiteit. Zelfs als je er midden in staat achtervolgt de realiteit je en probeert je wijs te maken dat er niets bijzonders aan de hand is. Het duurt lang voordat je het bekende en vertrouwde los kunt laten. Eenmaal van het pad af denk je nog heel lang dat er toch een pad is. Pas als je dat achter je hebt gelaten, ga je zien waar je bent en ontdek je het nieuwe om je heen.

Daarbij helpt een wonderlijke ervaring, zoals mijn ontmoeting met de vreemde ronde kiezel. Iets moois, verrassends of intrigerends kan ons de ogen openen en nieuwsgierig maken naar het fantasierijke in onze omgeving. Het kan ons zelfs doen verlangen naar meer van dergelijke ervaringen. Eric Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de VU, beschrijft bijvoorbeeld in zijn “Singing in the Brain” (2017) dat muziek het gebied in onze hersenen activeert dat actief wordt als we naar iets verlangen (de nucleus accumbens). Wetenschappelijk wordt het fenomeen “craving” genoemd. Met deze ‘hunkering’ naar soortgelijke ervaringen roept een confrontatie met creativiteit inderdaad het verlangen naar meer creativiteit op.

Creativiteit kan dus blijkbaar iets verslavends hebben. Dringt een kunstzinnige, creatieve of fantasierijke ervaring door tot de nucleus accumbens, dan smaakt dat naar meer. En het is dit verlangen dat ons wat ontvankelijker kan maken voor creativiteit en onze fantasie wat langer zijn gang laat gaan. Precies dat wat me overkwam in het hoge gras.

Hunkerings-centrum

Maar creativiteit is een polyvalent fenomeen. Het kent vele vormen, waarden en dimensies. Het is niet definieerbaar of meetbaar en laat zich niet in een enkele ervaring vangen. Of een confrontatie met creativiteit ons ‘hunkerings-centrum’ bereikt is van veel factoren afhankelijk. In het hoge gras ontdekte ik hoe lang en hardnekkig onze ratio voor de deur van dit centrum blijft liggen en elke potentieel fantasierijke ervaring succesvol weet te neutraliseren tot iets wat we al denken te kennen. Pas nadat alle rationele benaderingen van mijn situatie in het hoge gras hadden gefaald ontstond er ruimte voor een meer fantasievolle benadering.

Het ziet er naar uit dat we, om creativiteit toe te laten, onze ratio op een zijspoor moeten zetten. Of nee, als de paden onze ratio verbeelden, moeten wij juist van het padje af. Hoe verder van het pad en langer in het veld, hoe groter de kans dat creativiteit ons werkelijk in de greep krijgt.

En dit was niet het enige inzicht. Ook werd me duidelijk waarom we met het ouder worden meer moeite krijgen om onze fantasie te laten spreken. En waarom vernieuwing en innovaties hun oorsprong vrijwel altijd vinden in een vergissing.

Tot volgende week.

Concrete creativiteit

Natuurlijk is het, naar onze rationele maatstaven, onwaarschijnlijk dat de wolken me daadwerkelijk de route uit het hoge gras zouden wijzen. Ik had net zo goed een wilde gok kunnen doen. Maar liever hield ik me vast aan deze onwaarschijnlijke illusie, dan aan volstrekte willekeur. Maar de tocht duurde lang, veel langer dan de route het veld in. Reden genoeg om te gaan twijfelen aan de de gekozen strategie.

Maar misschien was dat ook wel weer een geluk. Zo’n lange, wat monotone, voettocht biedt immers ook de mogelijkheid alles eens op een rijtje te zetten. Want wat betekent het nu eigenlijk dat we helemaal niet goed zijn toegerust om het volstrekt nieuwe, het nog onbekende, te doorgonden? En welke gevolgen heeft dat voor onze zoektocht? Want misschien vormen onze eigen tekortkomingen wel de belangrijkste barrière om tot de essentie van creativiteit door te dringen. 

De ongewisse uitweg die ik fysiek zocht, manifesteerde zich ook in dit onderzoek. Want, al sprak ik in het eerste hoofdstuk al wat gekscherend over de onmogelijke opdracht die ik mezelf had gegeven, ik vertrouwde er op dat alles wat ons overkomt, uiteindelijk verklaarbaar en beheersbaar is. Maar nu blijkt creativiteit zich steeds meer te gedragen als een soort Gordiaanse knoop. Het achterhalen van zijn essentie, het definiëren van zijn karakter, blijkt meer en meer een schier onmogelijke opdracht.

Rustig blijven. Dit was niet het goede moment om in paniek te raken. Ik bevond me tenslotte nog steeds in een volledig groene wereld. Om me heen, de volle 360°, hoog gras met nauwelijks een halve meter zicht. En de enige reden die ik had om de richting uit te lopen die ik was ingeslagen, waren de pijlen die ik meende te herkenen in de wolken. Overigens waren deze pijlen intussen opgelost en oriënteerde ik me, bij gebrek aan betere aanwijzingen, uitsluitend op de windrichting. Maar hoe dan ook. Het was niet mijn ontsnappingsroute uit het grasveld waarover ik me nu zorgen maakte, maar de vrees dat ik in dit onderzoek een doodlopende weg had ingeslagen.

Aan een Gordiaanse knoop kun je beter niet zomaar wat in het wilde weg gaan trekken. Er lijken slechts twee opties. Je kunt het (voorlopig) behoedzaam en veelal met engelengeduld blijven proberen of, zoals Alexander de Grote volgens de legende deed, radicaal de knoop doorhakken. Aan dat laatste ben ik nog niet toe. Het zou betekenen dat we afscheid nemen van het raadselachtige als essentie van creativiteit. En iets in me zegt dat we juist met dat raadselachtige, hoe moeilijk ook om te bevatten, op de juiste weg zijn.

Dus dode ik de tijd, stap voor stap, door alles nog eens op een rijtje zetten:

  1. Creativiteit is meer een mening dan een meting.Zelfs de ontwerpers van de creativiteitstesten bevestigen dat zij creativiteit niet werkelijk kunnen meten. Over hoe creatief we iets vinden kunnen we daarom sterk van mening verschillen.
  2. Creativiteit is geen uitsluitend menselijke eigenschap. Misschien wel de meest voorkomende misvatting. Toch zochten onze verre voorouders de oorsprong al vaak buiten onszelf. En wij zagen in dit onderzoeksveld inmiddels “onbewuste” creativiteit, creatieve dieren en machines die creatieve gaven ten toon spreiden.
  3. Creativiteit is een universele scheppende kracht. Als creativiteit geen menselijke eigenschap is, is het een manifestatie van een algemeen natuurlijk fenomeen die wij in het bijzonder zien bij mensen.
  4. Creativiteit heeft iets onvoorspelbaars. Juistwanneer creaties een verrassende wending krijgen, een onvoorspelbaar verloop krijgen, herkennen we ze als creatief. Deze “sprong” in het scheppingsproces lijkt essentieel voor creativiteit, maar is er tevens de oorzaak van dat we creativiteit als een persoonlijke eigenschap zijn gaan zien.
  5. De onvoorspelbaarheidsparadox verhindert dat we creativiteit echt kunnen doorgronden.Van de kwantummechanica leerden we dat onze waarneming ook het resultaat kan beïnvloeden. Zodra we het onvoorspelbare doorgronden wordt het voorspelbaar en daarmee verliest creativiteit zijn essentie. Ontwar de Gordiaanse knoop en het is niet langer een onontwarbare Gordiaanse knoop, maar een knoop als alle anderen.

Op zijn best zien we dus ergens in het creatieve proces onverwacht iets nieuws opduiken. En “op zijn best” lijkt hierbij nog te optimistisch uitgedrukt. Want, zoals we hier in de grasvlakte ervaren, zijn we helemaal niet toegerust om het nieuwe te herkennen of te bevatten. Neem nu mijn, achteraf gezien, onnavolgbare volharding in het herkennen van een pad dat er niet was. Of we willen of niet herkennen we in het verrassend nieuwe slechts dat wat we al kennen. En bij gebrek aan aanknopingspunten verzinnen we deze, net als de pijlen in de wolken, desnoods ter plekke. Nee, er is inmiddels alle reden voor paniek. We blijken helemaal niet in de wieg gelegd om het onverwachte nieuwe als zodanig te herkennen.

Dit was het moment waarop ik op een grote kiezel stuitte. Althans, zo kwam het gevaarte in eerste instantie op me over. Maar deze kiezel was bijna volmaakt rond en enigszins transparant. Als hij veel kleiner was geweest had ik hem misschien omschreven als een soort glazen knikker, maar met een doorsnee van wel 1 meter, hield ik het toch maar bij een kiezel.

Maar ik moet mezelf eerst corrigeren. De laatste gedachte, voordat ik de kiezel op mijn pad trof, is namelijk niet juist. De uitdrukking klopt hier eigenlijk niet. We zijn namelijk, zoals we in hoofdstuk 9 al zagen, juist als kind heel goed in staat het nieuwe te herkennen. Het is ons dus ergens toch wel “in de wieg” meegegeven, maar de meesten van ons verleren het tijdens het volwassen worden. En het is dus goed ons te realiseren dat we van oorsprong beter in staat zijn het nieuwe te herkennen, dan we als volwassenen ten toon spreiden.

En terwijl ik daar stond, keek ik naar mijn eigen weerspiegeling in de kiezel. Daar oogde ik kleiner en krulde de wereld zich om en over me heen. Oneffenheden in het oppervlak zorgden voor, soms uiterst grappige, vervormingen. En de weerspiegeling vloeide over in de delen die minder glasachtig waren, waardoor een wonderlijke combinatie ontstond met de patronen van de kiezel zelf. In dat beeld werd ik als het ware onderdeel van de kiezel en zijn wonderlijke wereld van vormen en reflecties. En ik draaide enkele malen om de kiezel heen om te zien hoe ik, daar binnen, van vorm veranderde, andere kleuren aannam en versmolt met de slierten en patronen van gekleurd gesteente. Kleuren waar ik soms achter schuil ging en die soms dwars door mij heen zichtbaar bleven. Het kwam mij voor alsof mijn alter ego aan de binnenzijde van de kiezel even veel plezier ontleende aan onze ontmoeting als ikzelf.

Maar goed, ik moest ook verder. Steeds als ik mezelf wat vragend aankeek, keek mijn spiegelbeeld met eenzelfde blik naar mij terug. We wisten het schijnbaar beiden niet. En mijn spiegelbeeld leek daar van ons tweeën het minste mee te zitten. Dus besloot ik tot een volstrekt rationele keuze: ik zette mijn weg in dezelfde richting voort. Ergens, mits ik maar koers hield, moest deze grasvlakte ten einde komen. Afwijken van de ingeslagen weg zou inhouden dat ik de kans liep rondjes te lopen en zo nog vele uren of zelfs dagen in dit groene doolhof te moeten verblijven.

Dus liep ik, met de wind mee, weer verder. Maar wonderlijk genoeg was het vervolg niet meer hetzelfde. Ik was gespitst op grote ronde kiezels en vreesde hen onopgemerkt voorbij te lopen. Dus spiede ik zorgvuldig aan weerszijden van mijn route tussen het gras of ik een glimp zag van zo’n grote ronde kiezel. Vreemd eigenlijk. Tot ik de kiezel trof, achtte ik de kans dat ik er een tegen zou komen nihil en nu ik er tegen ben gekomen denk ik plotseling dat er meer op of naast mijn pad zullen liggen.

Maar dit is weer zo’n typisch menselijke inschattingsfout. De al eerder aangehaalde Daniel Kahneman laat in zijn “Thinking, Fast and Slow” zien dat wij zeldzame gebeurtenissen onderschatten zolang het een abstracte voorstelling van zaken is. Was mij vooraf bijvoorbeeld verteld dat de kans om een grote ronde kiezel aan te treffen <0,02% is, dan zou ik er niet echt op rekenen er een aan te treffen. Maar zodra we een zeldzame gebeurtenis concreet voor ogen krijgen, gaan we de kans dat deze zich zal herhalen schromelijk overschatten. Het is precies hoe de psychologie van een lotterij werkt. We kunnen ons doorgaans een concreet beeld vormen bij wat we zouden doen bij winst, maar hebben een diffuus en abstract beeld bij de (veel grotere) mogelijkheid dat we niets winnen. Dus overschatten we de kans dat we iets winnen en onderschatten de kans dat we niets winnen. Verzekeraars spelen ook handig op deze inschattingsfout in, door ons te confronteren met concrete situaties waarin de slachtoffers maar wat blij zijn dat ze goed verzekerd zijn. Zonder aarzelen zien we het plotseling voor ons dat we zelf ook in zo’n situatie terecht komen. Ook al is de kans in werkelijkheid nihil.

Het betekent ook iets voor ons onderzoek. Omdat het nieuwe in zichzelf een (nog) zeldzame, zo niet unieke, gebeurtenis is, zullen we ook de kans dat we iets nieuws kunnen ervaren in beginsel onderschatten. Het kan ons zelfs laks of cynisch maken. Wellicht de reden dat veel passanten hun eigen creatieve vermogens laag inschatten. Maar confronteer ons met een concrete creatieve uiting, idee of uitvinding en we zijn, wellicht net iets te makkelijk, bereid om overal het creatieve van in te zien. En dat is iets wat ons kan helpen. Want blijkbaar sterkt een confrontatie met creativiteit ons in het belang wat we aan creativiteit hechten. Creativiteit roept zichzelf als het ware in ons op. Zo kan de overschatting die wij van nature maken ons misschien ook helpen creativiteit aan te moedigen, te verspreiden en zo onze bij geboorte meegegeven creatieve vermogens te behouden.

Dat lijkt me een goede vraag voor de volgende week, wanneer ik deze grasvlakte achter me heb gelaten. Op mijn hele route trof ik nergens meer een grote ronde kiezel. En steeds als ik achterom keek, naar het net platgetrapte gras, lonkte de route terug naar die kiezel. Het was een welkome onderbreking geweest. Ik zou wel even terug willen. Al was het alleen maar om te checken of, ook bij mijn afwezigheid, mijn spiegelbeeld nog steeds in die kiezel huist.

Je bent zelf niet te vertrouwen

Bij terugkeer in het onderzoeksveld nam ik dit keer, na het wederom doorkruisen van het omgewoelde en doorploegde terrein van de kunsten, een andere afslag. Niet naar de creativiteitstesten, maar via een kleine verhoging in het landschap naar een daar achter gelegen grasvlakte. Vanaf de verhoging lonkte het zachte deinende gras, maar bij het betreden merkte ik hoe hoog de begroeiing daadwerkelijk was. Het gras toornde boven me uit als een traag bewegende groene muur, met onder me aarde waar je af en toe een klein beetje in wegzakte en boven me een stukje blauwe lucht. Bewolkt.

In het begin meende ik nog iets van een pad te herkennen. Ik volgde daarom, bij gebrek aan andere aanwijzingen, deze route. Met elke stap ontwikkelde ik de gave om iets minder of lichter begroeide stukjes grond te onderscheiden, die naar mijn overtuiging restanten waren van een al lang niet meer betreden pad. Maar zodra die stukjes aan alle kanten opdoken, wist ik het zeker: geen pad en bovendien verdwaald.

In zo’n situatie waarin we nieuwe omstandigheden betreden, blijken we geboren opportunisten. De succesvolle verspreiding van homo sapiens is er waarschijnlijk aan te danken. Wij schakelen bij gebrek aan overtuigende aanwijzingen, eenvoudig over op minder overtuigende of desnoods zelf verzonnen aanwijzingen. En zo gidsen we onszelf door de nieuwe onvoorziene omstandigheden en situaties. Want wat is het alternatief? Laten we het lot de richting bepalen? Nee hoor, onze intuïtie wint het met gemak van het lot. Sterker nog. Zelfs als we rationeel tot een andere conclusie zouden komen, weet onze intuïtie ons op andere gedachten te brengen. Een eenvoudig en bekend voorbeeld daarvan is de volgende vraag:

Er is zeven maal een munt gegooid met de volgende reeks tot gevolg: Munt – Kop – Munt – Munt – Munt – Munt – Munt – … Zou je voor de achtste worp je geld inzetten op “Kop” of “Munt”?

De meerderheid van deelnemers beantwoord deze vraag met “Kop”. Alles in ons schreeuwt immers dat na zoveel keer “Munt”, het evenwicht hersteld moet worden. Naarmate die “kop” langer uitblijft wordt dat gevoel alleen maar sterker. Maar logischerwijs biedt elke worp aan beide opties evenveel kans. Dat is in worp 8 niet anders dan worp 1. Om diezelfde reden is een reeks van M-M-M-M-M-M-M even waarschijnlijk als de reeks M-K-K-M-M-K-M, maar schatten we de kans op de laatste hoger in. En bedenk dat, zelfs nu je dit weet, je de volgende keer toch (weer) zult kiezen voor “Kop” als je gevraagd wordt te voorspellen wat de volgende worp wordt.

Maar goed, we zijn dus heel goed in staat onszelf voor de gek te houden. Zo kon ik heel lang blijven geloven dat ik daadwerkelijk een pad aan het volgen was. Toen dat moeilijker werd, maakte ik mezelf eenvoudig wijs dat het pad al heel lang niet meer gebruikt was. Dat verklaarde waarom ik meer moeite moest doen. Dat hield ik lang vol. Totdat ik er echt niet meer omheen kom. Het was al met al helemaal geen pad.

En ik vermoede dat onze oriëntatie in een nog onbekende nieuwe fantasierijke wereld niet heel veel anders zou gaan. Al hebben we daarbij mogelijk nog minder houvast omdat we er van uit mogen gaan dat in een onvoorstelbare fantasiewereld ook een (deels?) andere realiteit aanwezig is. We zullen dus nog meer zelf moeten verzinnen. 

Om dat te toetsen vroeg ik enkele omstanders bij dit onderzoek mee te doen met een kleine toets. Ik stelde hen de volgende vraag:

Stel je voor:

Je bent in een sprookjesbos beland. Dit keer niet in je fantasie, maar echt. Let op, het is dus geen spelletje. Je bent er verdwaald, geheel onbekend en alles lijkt op elkaar. Maar gelukkig, voor de weg terug kun je hulp inroepen. Op een boomstam in het bos liggen de hier onder staande drie kaarten. De vraag daarbij: Wie kies je om je de weg terug te laten wijzen?

De “dragon” bleek de grote favoriet. Een verrassende keuze daar deze in wezen het verst van onze realiteit af staat. Maar het schetst hoe makkelijk we na een openingszin als “je bent in een sprookjesbos beland”, in een soort sprookjes-modus schieten. We, althans het merendeel van de omstanders, neemt zonder pardon onze gedeelde beelden van sprookjesfiguren als uitgangspunt van de verhalen die we voor onszelf smeden. De stereotypen uit de reëele wereld worden pijlsnel vervangen door die we uit sprookjes kennen. Dus kunnen tovenaars hier toveren, draken vuur spugen en hebben prinsessen het goede met je voor. Niemand twijfelt hier aan. Er is immers niets dat op het tegendeel wijst en dus houden we vast aan wat we (denken te) weten.

Maar onze associatie gaat nog een stapje verder en geeft er daarbij blijk van dat we toch ook onze realiteit meenemen in deze fantasie. Alle omstanders namen eenvoudig aan (omdat uit niets bleek dat dat niet het geval zou zijn) dat de afbeeldingen min of meer getrouwe weergaven waren van de “echte” sprookjesfiguren. Daarmee werden subtiele boodschappen die in de tekening verborgen zitten, deels onbewust, geprojecteerd op het betreffende sprookjesfiguur. Zo werd de prinses met zwaard gekwalificeerd als “stoer”, werd de schijnbaar lachende draak nauwelijks als bedreigend ervaren en kon de vriendelijk ogende tovenaar profiteren van een wijs imago. Maar misschien leverde de mogelijke onbewuste interpretatie van de gezichtsuitdrukkingen wel de doorslag. Terwijl de draak lijkt te lachen, is de prinses op haar hoede. En we houden ons bij voorkeur op bij hen die vrolijke en ontspannen ogen.

Overigens waren er natuurlijk ook omstanders die niet in de sprookjes-modus schoten. Het blijft echter de vraag of zij in een ‘echt’ sprookjesbos nog uit de voeten kunnen met hun richtinggevoel, kaarten, kennis over begroeiing van mos op bomen, windrichtingen of de stand der zon, maan en sterren. Maar met de nuchtere blik vanuit onze wereld hadden ze natuurlijk gelijk. Er is geen enkele reden om figuren die achter deze kaarten schuil gaan meer te vertrouwen dan jezelf.

Maar we kunnen nu ook vaststellen dat er evenmin reden is om op onszelf te vertrouwen. Al zullen we dat tegen beter weten in, rustig en vol (zelf)overtuiging blijven doen.

Ik daarentegen besloot wat te rusten. In het gras kijkend naar de lucht. Kijk mee:

Ik zag – hoe wonderlijk – twee duidelijke pijlen. Bovenin links, een forse witte richting 1 uur en (rechts juist onder het midden) een kleinere donker blauwe richting 2 uur. In werkelijkheid was het beeld nog overtuigender doordat de wolkenmassa zich ook die kant op bewoog. En, ook nu weer, zag ik niets wat de andere kant op wijst.

Het moge nu duidelijk zijn welke kant ik vervolgens opgelopen ben.

Hoe herken je wat je nog niet kent?

HNa de “grensverkenningen” moest ook ik weer even terug naar de realiteit. Voor enkele weken werd mijn aandacht thuis gevraagd. Want hoe we ook opgaan in dit onderzoek, het ‘normale’ leven met zijn dagelijkse beslommeringen, gewoontes, verplichtingen en verantwoordelijkheden staat niet stil. Dus vond ik, overigens zonder al te veel problemen, mijn weg terug. En stond ik, nadat ik hier weken naar hartelust het vreemde, verrassende, onbekende en onvoorspelbare had gezocht, in een klap weer in de onvermijdelijke werkelijkheid. Maar onverwacht, zoals dat met creativiteit gaat, deed ik toch een belangrijke ontdekking.

Want hoewel dit creativiteitsonderzoek bizarre energie in mij losmaakt, overviel me bij thuiskomst zomaar een gelukzalig gevoel. Het klinkt misschien niet zo avontuurlijk of heroïsch, maar ik was eigenlijk blij en opgelucht met een omgeving waarin het meeste voor mij bekend was. Alles wat ik nodig had trof ik aan op voorspelbare plekken. Ik kon weer vertrouwen op oude gewoonten en routines, die ik me dan ook zeer snel weer eigen maakte. En zelfs de klusjes in huis die waren blijven liggen wisten me te vertederen. Eenvoudigweg, omdat ze er nog steeds lagen.

En hoewel ik dit gevoel in eerste instantie probeerde te negeren, blijkt het heel algemeen. We zullen er misschien niet snel voor uitkomen, maar iedereen herkent dit gelukzalige gevoel bij thuiskomst na een reis of vakantie. Niet voor niets kennen bijna alle culturen hun eigen variaties op “oost, west, thuis best”. We zijn, alle bravoure ten spijt, in werkelijkheid dus helemaal niet zo avontuurlijk. We zijn vooral verknocht aan alles wat we al door en door kennen. Want zoals het klokje thuis tikt, ….

Het zette me aan het denken. Het gemak en de snelheid waarmee ik mijn weg weer wist te vinden bij terugkeer in de mij zo vertrouwde omgeving, moet er mee te maken hebben dat ik er nagenoeg alles intuïtief herken. In ons eigen huis en directe omgeving zijn we immers allen experts in het beoordelen van situaties, omstandigheden, gebeurtenissen, mensen en zelfs geuren en geluiden. Een glimp van dit alles en we weten waar we aan toe zijn. En de wetenschap dat je grotendeels kunt vertrouwen op je automatische piloot, geeft ons rust en zekerheid. Het gelukzalige gevoel van comfort waarbij je niet voortdurend op je hoede hoeft te zijn. 

Precies dit lijkt er ook de oorzaak van dat velen hun halve huisraad meetorsen wanneer zij op vakantie gaan. Zelfs in ons meest avontuurlijke uitstapje van het jaar, laten we zo weinig mogelijk aan het toeval over. Het zou ons alleen maar onrustig maken. Herkenbaar?

Nobelprijswinnaar (economie 2002) Daniel Kahneman geeft in zijn bestseller “Thinking Fast and Slow” (2011) een verklaring voor dit gelukzalige gevoel. Hij onderscheidt twee systemen* waarmee wij situaties beoordelen en keuzes maken.

  • Systeem 1 gaat snel en intuïtief, werkt autonoom, kost ons geen moeite en zijn we ons nauwelijks bewust. Het staat bovendien altijd aan. 
  • Systeem 2 is een bewust proces en vraagt moeite, concentratie, focus en denk- of rekenwerk. Het kan systeem 1 overrulen, maar niet uitschakelen. En, oh ja, systeem 2 is een beetje lui en probeert er bij voorkeur de kantjes van af te lopen.

In de thuissituatie kunnen we moeiteloos uit de voeten met systeem 1 en kan systeem 2 in zijn gewenste ruststand. Het biedt ons daadwerkelijk (ook fysieke) rust, wanneer we toe kunnen met deze ‘default setting’. Het is immers, van tijd tot tijd, voor onszelf ook de ‘prefered setting’.

Maar wat gebeurd er in een volstrekt nieuwe, onbekende en onzekere omgeving? Wat als we er nauwelijks iets herkennen? Moeten we dan geconcentreerd aan het werk? Een vraag die belangrijk is omdat we in onze zoektocht naar het nieuwe, als bron van creativiteit, inmiddels voorbij de grenzen van het voorstelbare treden. Daar doemt dus een dilemma op. Want hoe herken je dat, waarvan het belangrijkste kenmerk is, dat je het nog niet kent? In hoofdstuk 4 zagen we nog dat Plato hiervoor zijn heil zocht in “Arete”, de alwetende ziel, waarmee een soort intuïtieve verbinding werd gelegd met de verzamelplaats van alle kennis van de wereld. Met genoeg “Arete”, kun je er op vertrouwen dat je het nieuwe herkent zodra je het ontmoet.

Maar daarvoor hebben we natuurlijk niet werkelijk een ziel nodig. We herkennen iets nieuws immers bij voorbaat doordat we iets zien wat we niet automatisch herkennen. Dat kost op zichzelf geen moeite (systeem 1). Maar dan? Moeten we als we iets nieuws waarnemen bij onszelf te rade wat het is, er over nadenken, vergelijken, wikken en wegen (systeem 2) om er de juiste woorden voor te vinden? Want dat laatste is geen sinecure. Zo wordt van de indianen die geconfronteerd werden met de Spaanse schepen van Columbus beweerd, dat zij deze schepen niet konden zien omdat ze deze niet herkenden. Dat verhaal klopt natuurlijk niet. Maar zij herkenden in deze nieuwe verschijning geen schepen, omdat zij zich nog uitsluitend in (rieten) kano’s en op vlotten op zee begaven. Het fenomeen “schip” bestond eenvoudig niet. De schepen met hun grote zeilen hadden voor hen daarom het meeste weg van (nog onbekende) vogels.

“Wat nergens op lijkt, is echt” (J.A. Deelder)

Er is dus wel een probleem met het volstrekt nieuwe en verrassende. Want hoewel we het waarnemen, kunnen we het nooit in zijn uniciteit benoemen. Nieuwe woorden die we er aan verbinden hebben nog geen enkele betekenis en dus zijn we – net als de indianen – voor ons begrip van het nieuwe genoodzaakt deze te beschrijven met oude, bekende termen. We kunnen dus niet vertellen wat het is, hooguit waar het op lijkt. De informatie die we delen over iets volstrekt nieuws, is daarom in het beste geval slechts een benadering van wat het werkelijk is. Dit dilemma wordt misschien wel het meest krachtig samengevat door J.A. (Jules) Deelder in zijn bekende dichtregel: “Wat nergens op lijkt, is echt”.

Bij onze pogingen om het verrassende nieuwe als bron van creativiteit te vinden en herkennen, zit dus ons referentiekader en de beperking van onze taal, woorden en begrippen behoorlijk in de weg. Steeds lijkt de realiteit, het bekende en vertrouwde, indringend over onze schouder mee te kijken om te bepalen of en hoe we het nieuwe en onvoorstelbare in onze wereld kunnen toelaten. En het is de vraag of we daarmee het echt nieuwe, wel voldoende recht doen.

Want als elk verhaal over het ‘onwaarschijnlijke nieuwe’ bij voorbaat tekort schiet, is onze gangbare taal misschien ook niet het medium waarmee het nieuwe het beste beschreven kan worden. Als het (om Jules Deelder te parafraseren) echt nergens op lijkt, moeten we het niet proberen te beschrijven, maar leren kennen en ervaren. En dat is nu juist bij uitstek het domein van de kunst- en cultuursector: het onvoorstelbare doen ervaren.

Het brengt ons terug bij onze eerste bevindingen in dit onderzoeksveld, waarbij creativiteit als vanzelf aan kunst en cultuur werd gekoppeld. (Ik kwam ze weer tegen bij mijn vertrek en terugkeer naar het thuisfront). Misschien is kunst echter niet alleen een uitingsvorm van de (veronderstelde) creativiteit van de kunstenaar, maar meer nog een manier om ons het onwaarschijnlijke nieuwe te laten ervaren. Maar goed, over de rol van de kunsten komen we nog te spreken.

Voor komende week probeer ik te achterhalen wat we het beste kunnen doen om het nieuwe, dat nergens op lijkt, te ontdekken en te ervaren. En bovendien – al lijkt dat vooralsnog onmogelijk – wil ik weten of er manieren zijn om het echt nieuwe dat we persoonlijk ervaren op een of andere manier met elkaar te delen.

* De twee systemen werden eerder geïntroduceerd door Keith Stanovich (universiteit van Toronto). Hij spreekt inmiddels liever van type 1 en 2 omdat systeem suggereert dat er sprake is van te onderscheiden hersendelen of functies. Maar volgens Stanovich is het vele malen complexer. Het denk-type wordt opgebouwd vanuit een set van autonoom werkende hersendelen, die ieder reageren op eigen stimuli en dus niet op hoger niveau gecontroleerd worden.

Creativiteit kent zijn grenzen

Als je er nog eens over nadenkt, is het helemaal niet zo vreemd om juist bij de grens het meeste “leven in de brouwerij” te vinden. We kennen dat fenomeen immers uit onze natuur. Overgangsgebieden tussen land en water of tussen warme en koude waterlagen, zijn bij uitstek de zones waar organismen uit verschillende habitats elkaar ontmoeten en voedsel vinden. Het zijn de gebieden met veruit de meeste biologische activiteit waar de evolutionaire motor maximaal draait. Resulterend in een explosie van diversiteit en complexiteit.

De grens als concentratiegebied van interactie, plaats voor experiment en vernieuwing blijkt een universeel verschijnsel. Van elke individuele cel tot de hele aarde, steeds treffen we aan zijn rand, de wand of korst, de meeste activiteit. Juist de confrontatie en uitwisseling met de, soms ronduit vijandige, buitenwereld biedt de ingrediënten voor verrassingen en daadwerkelijke vernieuwing. Het is dus in lijn met wat we om ons heen zien dat we het verrassende element van creativiteit bij de grens van het voorspelbare aantreffen. Hoe moeilijk we ons die grens ook voor kunnen stellen.

De Amerikaanse arbeidssocioloog Richard Sennett onderscheidt twee soorten grenzen. Hij spreekt over “bounderies and borders” (The Public Realm, 2011), waarbij de eerste een scherpe afscheiding aanduid en de tweede een overgangs- of grensgebied. Terecht stelt hij dat grenzen die beide zijden hermetisch van elkaar afsluiten (bounderies) doods, inactief en saai worden. Het gaat ons dus om open grensgebieden (borders) alwaar twee werelden elkaar ontmoeten, elkaar beïnvloeden en het vertrouwde van de ene kant zich mengt met het vreemde van de andere kant. Dat vraagt om grenzen die min of meer poreus of halfdoorlaatbaar zijn en overschreden kunnen worden.

Opeens wordt me nu de diepere betekenis duidelijk, waarom we spreken van “buiten de lijntjes kleuren” en “out-of-the-box denken”. Ergens herkennen we dus dat het voor creativiteit belangrijk is om onze grenzen te overschrijden of doorbreken. En dat betekent dat je een doorlopende lijn nodig hebt om er buiten te kunnen kleuren en een “denk-kader” om er buiten te kunnen denken. Creativiteit vraagt dan het vermogen om je grenzen te kennen, deze op te zoeken en daar aan de andere kant, naar hartelust het vreemde, verrassende, onbekende en onvoorspelbare te zoeken en binnen te halen. Ja, je mag er zelfs enige tijd dwalen, mits je uiteindelijk de weg terug nog weet te vinden.

Het lijkt er op dat we bij geboorte ruim bemeten zijn met de mogelijkheid de grens van het voorspelbare te passeren. In de belevingswereld van jonge kinderen mengt de fysieke werkelijkheid zich als vanzelf met fictie en fantasie. De mogelijkheden lijken grenzeloos. In die periode weten jonge kinderen ons nog te verrassen en vertederen. Ze nemen ons weer even mee in de sensatie, die we ons ergens nog herinneren, van een fantasierijke beleving van de werkelijkheid. Je zou kunnen zeggen dat jonge kinderen hun grenzen nog niet scherp hebben getrokken, waardoor het schijnbaar onmogelijke, onvoorstelbare, verrassende en fantasierijke bijna onbelemmerd toegang krijgt tot de fysieke beleving van de wereld om hen heen. Het kinderbrein heeft als het ware nog een open verbinding naar het onvoorstelbare. Het kleurt hun beleving van de werkelijkheid en maakt dat zij deze onbevangen en nieuwsgierig tegemoet treden.

Dit beeld wordt bevestigt door de ervaringen van Francesco Stocci, o.a. Conservator Moderne en Hedendaagse Kunst bij Museum Boijmans van Beuningen, bij de collectiepresentatie “Alles Kids”: “Er is voor kinderen weinig verschil tussen het echte leven, dromen en projecties. Fantasie en het echte leven zijn veel meer met elkaar verweven dan bij volwassenen.” Maar ook merkt hij op: “Ik denk dat het iets natuurlijks is wat we verliezen als we opgroeien, wanneer ons intellect onze impulsen gaat dicteren.”

Het is precies die laatste opmerking waarom we spreken over de wet op behoud van creativiteit. Het is een ‘behoudswet’. Niet zozeer in de traditionele betekenis van de natuurkunde, maar gericht op het behouden of herstellen van de creatieve vermogens waarmee we geboren worden. Gezien de inzichten die we met onze tocht door dit onderzoeksveld hebben opgedaan, betekent dit dat we met alle macht moeten voorkomen dat we hermetisch gesloten grenzen, lijnen of denkkaders optrekken. En we kunnen daar het beste maar zo vroeg mogelijk mee beginnen. Het was immers Pablo Picasso zelf die opmerkte: “Ieder kind is een kunstenaar. De moeilijkheid is er een te blijven als je groot wordt.”

De onvoorspelbaarheidsparadox

In het dagelijks leven willen we het nog wel eens uitroepen: “dat is toevallig”. Want wie kent niet die situaties van een onverwachte ontmoeting met een oude bekende, een telefoontje van iemand waaraan je juist die ochtend nog dacht of een onverwachte confrontatie met het spreekwoord “een ongeluk zit in een klein hoekje”. We noemen het toeval, maar onze hersenen kraken ondertussen op zoek naar oorzaken of nog onopgemerkte patronen. Liever nog leggen we vergezochte verbanden en nemen we bij gelegenheid genoegen met onwaarschijnlijke verklaringen, dan te accepteren dat er sprake is van louter toeval. We willen, tegen beter weten in, onze omgeving begrijpen en beheersen. Daarin past domweg geen onvoorspelbaarheid.

Alleen daarom al was het uitstapje naar de kwantummechanica verfrissend. Een wereld waarin onvoorspelbaarheid een hoofdrol speelt en onze logica slechts figureert. In zo’n wereld kunnen we onvoorspelbaarheid niet langer ontkennen of negeren. En het ogenschijnlijke gemak waarmee kwantummechanici dat accepteren, intrigeert me dan ook. Waarom bedwingen we in ons dagelijks leven met alle macht alle vormen van onzekerheid, maar lukt het eenmaal sub-atomair die onzekerheid eenvoudig voor lief te nemen?

Natuurlijk speelt een rol dat de sub-atomaire onvoorspelbaarheid onze fysieke leefwereld niet direct ontregelt. Maar belangrijker voor ons onderzoek is de volstrekt andere benadering van onvoorspelbaarheid. In ons dagelijks leven zien we onvoorspelbaarheid of toeval als een speling van de natuur, een niet identificeerbare natuurlijke (of voor sommigen onder ons zelfs goddelijke) kracht die direct concurreert met de mate waarin wij grip hebben op ons bestaan. Maar in de kwantummechanica is onvoorspelbaarheid eenvoudig “het ontbreken van voorspelbaarheid”. Het is dus niet “iets” dat we buiten onszelf zoeken, maar juist het ontbreken van “iets” in onszelf. Daar waar wij gebeurtenissen niet langer volledig kunnen doorgronden, identificeren en voorspellen, resteert onvoorspelbaarheid.

Maar goed, hoe kan dit ons nu helpen met ons onderzoek naar creativiteit? Laten we daarvoor eens door de ogen van de kwantummechanica naar het onvoorspelbare deel van creativiteit kijken. Om te beginnen moeten we dit deel dan dus niet, zoals we tot nu toe deden, benaderen als iets dat we proberen te begrijpen en doorgronden, maar accepteren dat hier onze verbeelding, ons bevattingsvermogen tekort schiet. 

Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Hoe beschrijf je iets waarvan de belangrijkste eigenschap is dat we het ons niet voor kunnen stellen? Elk poging schiet ergens te kort en staat een dag later dus weer ter discussie. Het is daarom dat dit hoofdstuk meer tijd vroeg. Ik heb veel herschreven, verwijderd, aangevuld of een dag later weer compleet veranderd. Allemaal omdat hier, op de grens van ons voorstellingsvermogen, inzichten voortdurend verschuiven, van gedaante verwisselen en elkaar lijken uit te dagen of te betwisten. Een gekmakend proces waarbij de enige constante de constante twijfel is. 

Soms raakte ik het spoor bijster. Dan had ik dringend de behoefte aan enig houvast. Wat me erg geholpen heeft is steeds te bedenken waar we vandaan kwamen. Daarom heb ik nog even op een rijtje gezet hoe we ook al weer hier verzeild zijn geraakt. Terugbladerend in mijn aantekeningen onderscheidde ik drie stappen:

1. Bij onze zoektocht naar een definitie voor creativiteit (hoofdstuk 6), die we overigens nog niet gevonden hebben, stuitten we er op dat onvoorspelbaarheid een onderdeel moet zijn van creativiteit. Dit onvoorspelbare deel is verantwoordelijk voor het verrassingseffect van creativiteit.

2. Vervolgens ontdekten we (toevallig) dat onvoorspelbaarheid er tevens de oorzaak van kan zijn dat we creativiteit als een persoonlijke eigenschap zijn gaan zien. Voor onze definitie leidde dat naar een poging onvoorspelbaarheid (buiten het menselijke aspect om) beter te begrijpen en te duiden, waarvoor we ons licht deden schijnen bij de kwantummechanica.

3. Maar de kwantummechanica leidde ons terug naar onszelf. Er is niet zoiets als onvoorspelbaarheid, maar er zijn gebeurtenissen die wij niet kunnen doorgronden en daarom voor ons onvoorspelbaar verlopen.

Mat name die laatste constatering (3) heb ik op vele verschillende manieren tegen het licht gehouden. Totdat ik ontdekte dat er een soort wederkerigheid in zit. Omdat onvoorspelbaarheid voortkomt uit ons onvermogen het te doorgronden, vervalt onvoorspelbaarheid zodra we nieuwe verrassende ideeën of gebeurtenissen wel weten te doorgronden. Anders gesteld; als we alle gebeurtenissen die we niet snappen, onvoorspelbaar noemen, zijn gebeurtenissen zodra we ze wel snappen per direct niet langer onvoorspelbaar. In navolging van de kwantummechanica zouden we kunnen spreken van het “instorten” van de onvoorspelbaarheid, zodra we een idee of gebeurtenis als zodanig herkennen. Dit fenomeen waardoor het onmogelijk wordt om onvoorspelbaarheid te doorgronden noem ik de onvoorspelbaarheidsparadox.

Ik weet het. Dit klinkt al bijna net zo fantastisch als de verhalen die we kennen van de kwantummechanica. Misschien heb ik me te veel laten meevoeren in hun abstracties. Is de wonderlijke wereld van sub-atomaire toevalligheden me naar het hoofd gestegen? Dit is daarom een goed moment om weer met beide voeten in onze leefwereld te gaan staan en een stukje terug te lopen, het traditionele onderzoeksveld in. Zijn er daar aanwijzingen te vinden voor het “instorten” van onvoorspelbaarheid zodra we het verrassende karakter van creativiteit in de vingers proberen te krijgen? Werkt het, met verwoede pogingen, proberen creatief te doen misschien wel averechts?

In het bos treffen we de eerder door ons daar achtergelaten creativiteitstesten, waaronder de bekende Torrance Test of Creative Thinking (hoofdstuk 3). Het is deze test waarin “divergent denken”, het vermogen om iets volstrekt onverwachts te doen, als een belangrijke onderdeel, zo mogelijk de basis, van (menselijke) creativiteit wordt gezien. We hoeven niet heel veel moeite te doen om hierin het onvoorspelbare karakter van creativiteit te herkennen. Volstrekt onverwacht is immers iets wat we niet zagen aankomen en dus niet hadden kunnen voorspellen.

Als de benadering die ik hierboven schetste van toepassing is, zouden we hier aanwijzingen moeten kunnen vinden dat hier de paradox geldt. Enerzijds zou het onverwachte deel van creativiteit moeten floreren wanneer we niet bewust sturen op verrassende ideeën, terwijl het bewust sturen op en beïnvloeden van een verrassend resultaat juist averechts zou moeten werken. 

Let wel. Het gaat om aanwijzingen. Onze waarnemingen kennen immers een belangrijke beperking: we hebben geen toegang tot de ware bron van volstrekt onverwachte ideeën. Want, zodra we ons van ideeën bewust worden vertalen we ze in een mum van tijd in een voor onszelf en voor anderen begrijpbare en vooral acceptabele vorm. We selecteren waarschijnlijk ook flink op de ideeën die we uiteindelijk delen met anderen. Op zijn best krijgen we dus slechts een afspiegeling te zien, een gefilterde of gedempte versie van de oorspronkelijke rijkdom aan willekeurige onverwachte ideeën. We vinden daarom dus hooguit aanwijzingen voor het bestaan van de paradox, maar zullen deze – paradoxaal genoeg – nooit kunnen voorzien van een doorslaggevend bewijs. 

Eén aanwijzing kwamen we al eerder tegen. In hoofdstuk 3 stelden we immers vast dat we ook onbewust creatief kunnen zijn. Het bevestigt dat indien we er niet op uit zijn om verrassende ideeën te bedenken, ze des al niet te min spontaan in ons op kunnen komen. We kunnen hieruit aflezen dat het verrassende deel van creativiteit in ieder geval niet afhankelijk is van onze bewuste pogingen om verassend uit de hoek te komen. Het spontaan optreden van creativiteit past heel goed bij de paradox van onvoorspelbaarheid.

Maar aan de andere kant, is er ook een, door Alex F. Osborn al in 1948 ontwikkelde, methode die het creëren van volstrekt onverwachte ideeën probeert te stimuleren: brainstorming. De methode is gebaseerd op het geloof dat divergent denken in een groep altijd effectiever zal zijn dan door individuen. Het is een methode die algemeen in gebruik is. Grote kans dat je ooit meegedaan hebt aan een “braimstorm” of een daarvan afgeleide werkmethode.

Maar, als de paradox hier geldt, zou een vergelijking tussen brainstorming en een zelfde aantal personen individueel, aanwijzingen moeten opleveren dat – anders dan beoogt – brainstorming juist minder succesvol is. Een groep kan immers aangemerkt worden als een vorm waarin we extremer proberen te sturen op een verrassend resultaat dan wanneer dat aan eenzelfde aantal mensen individueel gevraagd wordt.

En juist hier is iets opvallends gaande. De methode wordt veel gebruikt en staat goed aangeschreven. Deelnemers zijn er doorgaans lovend over en hebben veelal de persoonlijke ervaring dat het de creatieve vermogens van de groep versterkt. In eerste aanleg lijkt er dus reden om aan het bestaan van de paradox te twijfelen. Maar opvallend genoeg stelden Taylor, Berry & Block al in 1958 met hun onderzoek vast dat brainstormgroepen slechts de helft van het aantal ideeën genereren ten opzichte van eenzelfde aantal individuen, onafhankelijk van elkaar. En ook daarna zijn er studies geweest die de kwaliteit (lees onvoorspelbaarheid) van de ideeën in deze brainstormgroepen als lager kwalificeerde. (o.a. Paulus, Larey & Dzindolet, 2001). Kortom, anders dan algemeen aangenomen, zijn er ook hier aanwijzingen dat de paradox bestaat en onvoorspelbaarheid onderdeel is van creativiteit.

En dan is er ook nog steun uit de wereld van de kwantummechanica. Want Roger Penrose, emeritus hoogleraar wis- en natuurkunde van de Oxford-universiteit, heeft met anesthesioloog Stuart Hameroff een theorie over ons bewustzijn ontwikkeld: het zogenaamde kwantumbewustzijn. Volgens deze theorie is voor “een diepgaand begrijpen” de ingenieuze samenwerking van de miljarden hersencellen in ons brein onvoldoende. Er gebeurd iets mysterieus dat buiten de enorme rekenkracht van onze hersenen om gaat. Voor Penrose ligt het daarmee voor de hand dat onze hersencellen toegang hebben tot de voor ons onvoorstelbare sub-atomaire wereld van de kwantummechanica. Als we Penrose en Hameroff mogen geloven overstijgen onze hersencellen hun normale rekenkracht door het benutten van de speelruimte, het toeval, de onvoorspelbaarheid van de kwantummechanica. Het is een theorie die binnen de kwantummechanica nog geen gemeengoed is, maar naadloos aansluit bij de onvoorspelbaarheidsparadox.

Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de onvoorspelbaarheidsparadox bestaat. Het verrassende deel van onze creativiteit zou zich dan afspelen juist op de grens van ons voorstellingsvermogen. Terwijl we aan deze zijde van de grens begrijpen wat er gebeurd, heerst aan de andere kant onvoorspelbaarheid. Een dunne lijn tussen wonder en werkelijkheid, waar het onmogelijke weggeplukt kan worden uit die andere, van toeval en onvoorspelbaarheid vergeven, wereld om vervolgens mogelijk te worden in onze fysieke leefwereld. Het lijkt dat daar, op die magische grens, creativiteit geboren wordt.

Dus als we grip willen krijgen op creativiteit moeten we bij die grens beginnen. Hoe kunnen we de grens van ons voorstellingsvermogen het beste benaderen? Hoe stellen we de grens open voor het onvoorspelbare? Hoe geven we onvoorspelbare ideeën een kans als ze doordingen in onze fysieke wereld?

Allemaal vragen voor de volgende week

Onvoorstelbare onvoorspelbaarheid

Ik had het natuurlijk moeten weten: een uitstapje naar de kwantummechanica is geen sinecure. Wat dacht ik wel? Alsof ik even een verhelderend inzicht ophaal in een wereld waarvan zelfs de wetenschappers die deze bestuderen zeggen dat deze niet goed voor te stellen is. Ik realiseerde me onvoldoende hoe belangrijk het is je iets voor te kunnen stellen. Want zodra je het je niet meer kunt voorstellen, valt een belangrijke basis weg, een houvast om je gedachte te vormen en inzicht te verkrijgen. De waarschuwing van de “kwantummechanici” had ik dus ter harte moeten nemen. Je kunt immers niet zomaar even stoppen met je er een beeld van vormen. Voortdurend probeer je je dat wat je je niet kunt voorstellen, toch voor te stellen. Een ronduit slopend proces.

Maar eenmaal de zoektocht gestart was er ook geen weg meer terug. In een live-action onderzoek als dit, dient immers elk spoor dat zich aandient gevolgd te worden. En elk spoor, zoals ook hier zal blijken, levert inzichten op. Al zullen we het belang van dat inzicht pas achteraf kunnen bepalen.

Allereerst was het vooral zoeken. Want waar ik ook keek in het onderzoeksveld van creativiteit, de “kwantummechanici” waren nergens te vinden. Blijkbaar heeft onze focus op menselijke creativiteit, het idee dat we met een persoonlijke eigenschap te maken hebben, voorkomen dat we creativiteit buiten onszelf zochten. En daarmee is nooit een brug geslagen naar dat wat we weten over de allerkleinste deeltjes die we ons (doorgaans slechts in theorie) kunnen voorstellen: de kwantum- of elementaire deeltjes. En dat terwijl er, naast de overigens vele verschillen, een paar opvallende overeenkomsten zijn. Kort gezegd: beide zijn niet exact meetbaar, moeilijk voorstelbaar en – en dat was de belangrijkste reden om eens naar de kwantummechanica te kijken – beide gedragen zich onvoorspelbaar.

Die onvoorspelbaarheid is een probleem. Want hoe moeten we om gaan met het fenomeen van onvoorspelbaarheid in een wereld die doorspekt is van het idee dat alles maakbaar is? Die maakbaarheidsgedachte heeft overigens pas vanaf het einde van de 18e eeuw geleidelijk zijn intrede gedaan, ten koste van het geloof in een goddelijke regisseur. Een van de grondleggers is de Fransman Pierre-Simon Laplace die het hele universum als deterministisch beschouwde, al veronderstelde hij wel dat er een bijzondere bovenmenselijke intelligentie (de demon van Laplace) nodig was om het totaal te kunnen overzien. Maar in theorie kunnen wij dus alles meten, weten waar het is, waar het vandaan komt en waar het naar toe gaat. De toekomst zouden we dan dus kunnen berekenen, alsmede de effecten van onze interventies. En waar dat niet lukt wijten we dat dan vooral aan onvoldoende inzicht of een gebrek aan rekencapaciteit om de enorme complexiteit van interacties te lijf te gaan.

Onder het dogma van het determinisme komen we dus ook tot de conclusie dat onvoorspelbaarheid niet bestaat, maar te wijten is aan onszelf. In dit geval onze beperkte rekencapaciteit of, volgens Laplace, onze ontoereikende intelligentie.

Maar, en dat is al een belangrijk inzicht, het is dankzij de kwantummechanica dat aan dat beeld getornd mag worden. De ‘kwanta’, zoals de elementaire deeltjes worden genoemd, gedragen zich immers niet naar de wetten van de traditionele, zeg maar huis-tuin-en-keuken natuurkunde. De elementaire deeltjes laten zich namelijk niet exact meten. Ze strijden met onze logica en nemen twee gedaantes tegelijk aan, zijn op twee plaatsen tegelijk of kunnen elkaar in een mum van tijd over zeer grote afstanden beïnvloeden. En, misschien wel het meest verbazingwekkend, ze passen hun gedrag aan aan onze waarneming. Geloof het of niet, maar in de sub-atomaire wereld bepaal je uiteindelijk als waarnemer wat je ziet. Tot dat moment van waarnemen bestaat het niet of kan het overal en alles zijn. Het maakt dat de wijze waarop we kwanta waarnemen, volstrekt afhankelijk is van de waarnemer.

Stop. Als we nu deze laatste zin even vasthouden en ‘kwanta’ vervangen door ‘creativiteit’, dan zien we plotseling de overeenkomst. Eerder stelden we immers vast dat de wijze waarop wij creativiteit waarnemen, volstrekt afhankelijk is van de (deskundigheid van de) waarnemer (hoofdstuk 5: onmenselijke creativiteit). Er lijkt dus een zelfde soort rol weggelegd voor de waarnemer van kwanta als bij creativiteit. Bij beide spelen wij als waarnemer een hoofdrol en zonder ons lijkt het niet te bestaan.

Dat druist natuurlijk in tegen onze intuïtie. Voor ons begrip is de realiteit niet afhankelijk van onze waarneming. Wij ervaren die werkelijkheid alsof wij min of meer toevallige toeschouwers zijn in een wereld die er nu eenmaal is en er ook zonder ons zou zijn. Maar dat is hoe wij de werkelijkheid intuïtief waarnemen. In de sub-atomaire wereld is er echter reden om aan te nemen dat die werkelijkheid niet bestaat, totdat we de deeltjes daadwerkelijk waarnemen. En dat gaat inderdaad ons bevattingsvermogen (ver) te boven. Zou creativiteit er niet zijn als wij het niet waarnemen? Dat lijkt heel onwaarschijnlijk, maar de kwantummechanica sluit dat niet uit.

Nu ik zoveel moeite moet doen om me vooral geen beeld te vormen, krijg ik bewondering voor de wetenschappers in de kwantummechanica die zich er schijnbaar eenvoudig bij hebben neergelegd dat het nu eenmaal een wereld is die we ons niet goed kunnen voorstellen. Zou dat ook wat zijn voor het wetenschappelijk onderzoek naar creativiteit? Wat kan er gebeuren als we bijvoorbeeld eenvoudig accepteren dat we creativiteit nooit echt zullen doorgronden?

In de kwantummechanica heeft het de weg geopend naar de formulering van wiskundige formules die toepasbaar zijn in onze werkelijkheid en waarmee bekende natuurkundige verschijnselen verklaard kunnen worden. Deze formules doen echter geen uitspraken over waar deeltjes zich exact bevinden, maar slechts over de waarschijnlijkheid dat een deeltje zich ergens zal bevinden. De kwantummechanische formules houden dus rekening met de onzekerheid en onvoorspelbaarheid die eigen is aan de sub-atomaire wereld. En, en dat is een belangrijk inzicht, erkennen daarmee de aanwezigheid van onvoorspelbaarheid.

Oké, laat dat even op je inwerken. In het vorige hoofdstuk stelden we immers dat onvoorspelbaarheid zich kan manifesteren als een persoonlijke eigenschap. Maar dat was meer een theoretische redenatie waarmee we slechts de mogelijkheid openden dat het persoonlijke karakter dat wij doorgaans aan creativiteit geven, ook veroorzaakt kan worden door onvoorspelbaarheid. Het bewees daarentegen op zichzelf niet dat onvoorspelbaarheid een rol speelt in onze fysieke leefomgeving. Maar dat laatste wordt wel bevestigt in de kwantummechanica. Onvoorspelbaarheid wordt daar erkent als onderdeel van de (sub-atomaire) wereld en daarmee als eigenschap van het universum. Het maakt het daarmee alleen maar waarschijnlijker dat creativiteit zijn ware bron vindt in het universum, in plaats van ons brein.

Dit brengt ons een stap verder. Hoewel we het ons moeilijk kunnen voorstellen, hebben we dankzij de kwantummechanica nu sterke aanwijzingen dat ‘onvoorspelbaarheid’ onderdeel is van ons universum. In ieder geval op het sub-atomaire niveau. Of het daarmee een bron kan zijn van dat wat wij als waarnemer op het niveau van onze leefwereld “creatief” noemen, vraagt nader onderzoek. In iedere geval weten we dat het breed gedragen beeld van creativiteit als een persoonlijke eigenschap, die mogelijkheid niet in de weg staat.

Dus een indringende vraag voor de volgende week. Waarom is er onvoorspelbaarheid en in welke mate dringt het door in onze leefwereld? En wat me na dit uitstapje naar de kwantummechanica ook bezig houdt: helpt het als we gewoon accepteren dat we het ons niet kunnen voorstellen?

De definitie van creativiteit

Waar moeten we beginnen als we een definitie willen van iets wat zo ondefinieerbaar is als creativiteit? Want, al doen al die creativiteitstesten nog zo hun best, creativiteit laat zich niet meten of wegen. En, juist omdat er geen lijn in te ontdekken is, zijn we het voortdurend oneens over of en hoe creatief iets of iemand is. Al met al geen goede basis om tot een definitie te komen.

En wat doe je in zo’n geval? Precies, je raadpleegt Wikipedia. De definitie die daar wordt gegeven luidt: Creativiteit wordt in de verschillende wetenschappen nogal verschillend geïnterpreteerd, maar wijst in het algemeen naar een vermogen om iets nieuws te scheppen. Met de aantekening dat er verschillende interpretaties zijn, luidt de algemene definitie dus: het vermogen iets nieuws te scheppen.

Dat klinkt op zichzelf best acceptabel. Maar ik heb een probleem met dat “iets nieuws”. In hoofdstuk 3 zagen we immers dat we ook onbedoeld creatief kunnen zijn. Creativiteit heeft het als het ware niet nodig om “iets nieuws” te scheppen, het is voldoende om “iets” te scheppen. En er is nog een reden dat “nieuw” niet past bij onze waarneming van creativiteit.

Neem bijvoorbeeld de Amerikaan Charles Martin Hall en de Fransman Paul Héroult. Zij bedachten eind van de 19e eeuw onafhankelijk van elkaar, maar vrijwel gelijktijdig, een proces waarmee relatief eenvoudig aluminium gemaakt kan worden. Volgens de definitie van Wikipedia zouden we diegene die het laatste was, niet creatief noemen. De vinding was immers niet meer nieuw. Maar dat komt niet overeen met onze kijk op creativiteit. We beoordelen beide, zeker wanneer beide uitvindingen geheel onafhankelijk van elkaar tot stand komen, als (even) creatief. Precies om die reden spreken we sindsdien van het Hall-Héroult-proces.

Nu zou je tegen kunnen werpen dat het toch minstens voor beide uitvinders individueel nieuw was. Ofwel, als iemand voor zichzelf iets nieuws schept, ook al is dat identiek aan wat een ander eerder heeft gedaan, is dat (net zo) creatief. In dat geval zouden we creativiteit moeten definiëren als het individuele vermogen om iets te scheppen dat voor jezelf geheel nieuw is. Maar dat verhoudt zich weer slecht met onze ervaring dat doorgaans de waarnemer of toeschouwer (in alle subjectiviteit) beoordeelt of sprake is van creativiteit. En het laat al helemaal geen ruimte voor de creativiteit die in alle naïviteit ontstaat (hoofdstuk 3). De ervaring van het “nieuwe” ligt dan immers uitsluitend bij de waarnemer.

Nee, ik stel hier vast dat “iets nieuws” een juiste definitie van creativiteit in de weg zit. Beter proberen we het los te laten. Dan is creativiteit immers niet langer relatief of persoonsgebonden, maar vormt een algemeen scheppende kracht die zich overal en dus ook in mensen manifesteert. Deze benadering laat bovendien ook ruimte voor dat wat we in het vorige hoofdstuk onmenselijke creativiteit noemden. De definitie zou dan dus worden: het vermogen iets te scheppen.

Uhm. Op de een of andere manier voelt deze definitie wel heel karig. Het omvat niet de dynamiek, het onverwachte waarin wij juist creativiteit herkennen. We ervaren immers niet bij alles wat gemaakt wordt evenveel creativiteit. Naast het scheppende, ervaren wij meer creativiteit naarmate er sprake is van een soort verrassingseffect. Onvoorspelbaarheid lijkt, zoals we al in het eerste hoofdstuk signaleerden, een belangrijk, zo niet essentieel, ingrediënt van creativiteit. Juist in onverwachte of onvoorziene oplossingen, uitvindingen of creaties zien wij creativiteit. Die onvoorspelbaarheid zou dus op een of andere manier onderdeel uit moeten maken van onze definitie.

En nu we het over onvoorspelbaarheid hebben. Bedenk ik me dat die onvoorspelbaarheid er mede de oorzaak van is dat we creativiteit zijn gaan beschouwen als een persoonlijke eigenschap. Om dat toe te lichten: probeer je eens voor te stellen wat er zou gebeuren als een natuurkracht als de zwaartekracht zich wisselend en onvoorspelbaar zou gedragen voor ieder van ons. Je voelt je bijvoorbeeld plotseling zwaarder, terwijl op hetzelfde moment op diezelfde plek iemand anders zich juist lichter voelt. En bij het verplaatsen in ruimte of tijd verandert deze ervaring zonder dat daar een lijn, een onderling verband, in te ontdekken is. We zullen speuren naar oorzaken in de omgeving, de plek, de tijd, maar door de onvoorspelbaarheid gedwongen worden de oorzaken bij onszelf te zoeken. We zouden het waarschijnlijk toeschrijven aan onze fysieke gesteldheid of gemoedstoestand hoe zwaar of licht we ons voelen. Kortom, de onvoorspelbaarheid zou er voor zorgen dat we zwaartekracht ervaren als een persoonlijke eigenschap.

Wouw! Geen idee waar deze redenatie opeens vandaan kwam. Onvoorspelbaarheid doet ook hier zijn werk. Maar het zet dit onderzoek wel op een nieuw spoor. Het maakt duidelijk dat een algemene, alom aanwezige, scheppende (natuur)kracht zich aan ons kan manifesteren als een persoonlijke eigenschap. Het zet de vele onderzoeken naar creativiteit vanuit de psychologie in een ander daglicht. We hadden al vastgesteld dat ze niet werkelijk creativiteit als persoonlijke eigenschap meten en nu zien we daar de oorsprong van. Het is geen persoonlijke eigenschap maar onvoorspelbaarheid.

Maar hoe vervatten we deze onvoorspelbaarheid in onze definitie van creativiteit? Dat wordt nog een hele toestand. Daarvoor zullen we te rade gaan bij de wetenschap die al gewoon is om met onzekerheden om te gaan, stoeit met de invloed van de waarnemer op de waarneming, met toeval en onvoorspelbaarheid. Ik heb het over de kwantummechanica. Ook daarin beschrijft men dat wat zich aan ons oog lijkt te onttrekken en waarvan we vooral de gevolgen ervaren.

Voor komende week onderzoeken we dus wat kwantummechanica ons kan leren over creativiteit.